Geen geld om naar een begrafenis te kunnen gaan.

Hoe vaak praat je als organisatie niet óver je klanten in plaats van mét je klanten? En dan bedoelen we niet ‘wilt u daar frietjes bij?’, maar écht praten over de dingen die ertoe doen. (Een ‘narratief kader’ hanteren in plaats van een ‘normatief kader’). 

Onlangs waren we bij een evenement van NVVK dat georganiseerd was voor verschillende begeleiders uit de schuldhulpverlening. Vlak voor ons vertelde een dame van organisatie MEE over ‘het grote midden’, waar wij in onze presentatie ook over spreken (normaalverdeling). 68% van alle mensen heeft een ‘normaal, gemiddeld’ IQ. Dat betekent dat 32% daarbuiten valt, waarvan 16% dus een lager dan gemiddeld IQ heeft. Dat betreft dus ongeveer 1 op de 8 mensen! En vrijwel alle organisaties richten zich op die grote middengroep. De groep met hogere IQ kan vaak nog wel mee daarin, maar de mensen die een lager dan gemiddeld IQ hebben, vallen daarmee buiten de boot. Hiermee wordt een toch al zo kwetsbare groep nog kwetsbaarder.

Dat bleek nog eens extra tijdens de presentatie toen ervaringsdeskundige Danny (behorende tot de oranje groep) geïnterviewd werd en zelf het hebben van grote schulden had ervaren. Hij vertelde hoe hij zijn baan als lasser verloor, zijn huur niet meer kon betalen en hoe het maanden duurde voordat hij in gesprek met de corporatie kwam en kon vragen om een goedkopere woning. De huurachterstand was toen al zo hoog, dat hij voor geen enkele woning meer in aanmerking kwam. Hij kwam in de schuldhulpverlening en liep ook daar tegen het nodige onbegrip aan. Zo kon hij ook niet naar een begrafenis omdat zijn bewindvoerder meldde dat er geen geld voor was binnen zijn budget, terwijl aanwezigheid op die begrafenis voor hem veel waarde had. Op zo’n moment botst een ‘normatief kader’ tegen het ‘narratieve kader’. 

Een vurig betoog van een lieve eerlijke man die duidelijk een helpende hand kon gebruiken. Het is de meest duidelijke manier om in te zien wat er nodig is en hoe je daarin behulpzaam kunt zijn.

Een verhaal van een echt mens met een echte ervaring en een echte noodzaak, daar kan geen formulier, proces of theoretisch kader tegenop.

Dank aan NVVK en congresorganisator Hoezo! voor hun bijzonder mooie werk en congresorganisatie. En uiteraard dank voor de gelegenheid om ons steentje daarin bij te dragen op het podium!

“Mijn knie doet pijn. Doe er wat aan.”

Onlangs zaten wij bij de fysiotherapeut samen. Niet om behandeld te worden, al zou dat best kunnen, maar omdat deze fysiotherapeut een experiment wil aangaan. Een nieuwe manier van mensen behandelen: zonder ingewikkelde vergoedingen, maximaal aantal behandelingen en onnavolgbare verzekeraarsregels. En mét maximale motivatie, resultaatafspraken en eerlijke prijzen. Hij kwam bij ons om te vragen: hoe kan ik gaan werken met waardebepaling achteraf?

Hij wil veel meer op basis van de intrinsieke motivatie van mensen behandelen. Vaak komen patiënten namelijk bij hem en leggen hun probleem bij hém neer: ik heb mijn enkel verzwikt – los jij het op? Hij wil, samen met de patiënt, vooraf bekijken welk resultaat mogelijk is en de waarde van de behandeling koppelen aan het resultaat. 

Zijn tweede reden is dat hij minder afhankelijk wil zijn van verzekeraars. De verzekerde moet proberen vooraf in te schatten hoeveel behandelingen er plaats gaan vinden in een jaar. De verzekeraar schat in hoeveel behandelingen er in een jaar gedaan mogen worden, hoe lang ze mogen duren en wat er per behandeling gerekend mag worden. De werkelijkheid is altijd anders dan deze inschattingen en het is vaak aan de fysiotherapeut om dit dan maar op te lossen.

Deze fysiotherapeut is daarom op zoek gegaan naar het kleinst mogelijke stapje dat hij kon nemen. Hij gooit niet zijn hele praktijk om, maar begint met een klein experiment. Met één klant heeft hij afspraken gemaakt: Wat gaan we doen, welk resultaat willen we bereiken en welke waarde kunnen we daar aan koppelen. Na twaalf weken evalueren ze, kijken wat wel en niet gewerkt heeft en besluiten dan samen om door te gaan of te stoppen. Na Stap 1 komt immers een nieuwe Stap 1.

Zou jij mee kunnen en willen gaan in zo’n experiment en kun jij inschatten hoeveel jouw gezondheid je waard is?

… z’n mondje is alleen te groot

Mijn (Arthur) dochter Sofía kwam recent thuis met haar rapport. Ze is net 5 geworden. Natuurlijk volgde daar ook een 10-minutengesprek op. In dat gesprek vertelde ik de juf dat het enige dat ik echt interessant vond in dat rapport haar persoonlijke reflectie op Sofía was. Cijfers en/of t/v/o zeggen (mij) niet zo veel, zeker niet op die leeftijd. Veel liever hoor ik hoe creatief, eigenzinnig, verbeeldend en/of origineel Sofía is op school. Maar ja, dat zijn geen ‘toetsingscriteria’. Taal wel. Cijfers en rekenen wel. 

Ik moest terugdenken aan de tijd dat ik nog in loondienst werkte en soms weken intense arbeid besteedde aan het schrijven van aanbestedingen. De gunning van zo’n ‘tender’ ging ook op basis van ‘harde criteria’ en cijfers, waarbij eigenlijk iedereen wist dat de laagste prijs uiteindelijk de doorslag gaf. Het gebrek aan inspirerende professionele subjectiviteit vanuit vakmanschap en de nadruk op de valse zekerheid die de zogenaamde objectieve criteria en cijfers geven, verarmen de opdracht en verschralen de relatie. Door de weging van factoren krijg je nooit de beste opdrachtnemer, maar blijf je altijd in een grijs gemiddelde zweven. 

Het ergste is het ontbreken van de mogelijkheid een relatie op te bouwen. Een criterium als ‘persoonlijke klik’ is cruciaal maar telt niet mee. ‘Het meest spannende voorstel’, originaliteit, verbeelding of het stellen van de juiste vragen leveren je geen punten op. De mogelijkheid om vragen te stellen kun je niet goed inzetten als onderscheidend vermogen, omdat alle vragen anoniem worden gemaakt en antwoorden naar elke aanbieder terugkomen.

Op Sofia’s rapport staan prima beoordelingen. Straks bij het eindrapport bepaalt het gemiddelde van al haar cijfers of ze ‘over’ mag. Ik twijfel er niet aan dat dat gaat lukken, maar liever zie ik of ze vooruitgaat in creativiteit, of ze blijk geeft van inlevingsvermogen en of ze een beetje vrij kan denken en dat ook laat zien. Cijfers, criteria en objectiviteit… ik ruil ze graag in voor een persoonlijke reflectie op wat haar uniek maakt. 

In de foto mijn rapport toen ik in de 1eklas zat van de ‘lagere school’. Toen een ‘aandachtspunt’ en het heeft mij 50 jaar gekost om dat mondje weer gewoon te gebruiken. Mijn oren waren knalrood en geknakt van de grote knuisten van de hoofdmeester die mij geregeld aan mijn oren dragend in de hoek zette, maar ik ben blij dat ie opmerkte dat m’n mondje te groot was ;-). Kan ik dat mooi nu in mijn blog gebruiken, dank Meester Hoogeveen. Veel te vroeg gestorven helaas.

Maak je niet druk!

Sinds een paar maanden rij ik (Patrick) elektrisch. Dat was natuurlijk vanuit het oogpunt van duurzaamheid, maar ook heel erg uit nieuwsgierigheid. Wat brengt elektrisch rijden mij, en wat geef ik ervoor op? Ik dacht dat ik me vooral druk zou maken over op tijd opladen en ‘het halen van mijn bestemming’. Afgelopen week kwam ik thuis na een skivakantie in Frankrijk met mijn vrouw en drie kinderen. Ik weet nu wat het rijden van een Tesla mij vooral brengt: onthaasting.

Over heel veel dingen hoef ik namelijk niet meer na te denken. Het rijden is supercomfortabel. De auto beschikt over een heel constant vermogen, dus een helling neemt ie net zo makkelijk als de snelweg. Remmen hoeft bijna niet meer: het gaspedaal iets minder indrukken is voldoende. En vooral handig: ik vertel de auto waar ik heen wil, en hij geeft aan waar onze eerste stop is om weer op te laden. Zelfs de auto vindt: na stap 1 komt stap 1 😉

En op deze manier halen we heel veel haast-gevoel uit onze reis. De terugreis bijvoorbeeld zijn we om half zes in de ochtend begonnen. Rond half acht zijn we gestopt om wat te ontbijten. Op ons gemak, want de auto heeft tijd nodig om op te laden. Maar wat een stress, drukte en haast in het hotelrestaurant om ons heen! Gezinnen op weg naar of terugkomend van vakantie, die gehaast een croissant naar binnen duwen en koffie en jus d’orange half laten staan. Snel snel, voordat we in de file komen. Opschieten, want anders komen we te laat aan. Nu weg, want stel je voor….

De auto heeft mij geleerd (of gedwongen?) om niet meer in die haast-stand te staan. Om mij over te geven aan de tijd die de reis duurt, waardoor het uiteindelijk niet meer uitmaakte of we nu reden of stilstonden. Ja, we hebben er veel langer over gedaan, maar toch voelde het niet zo. De reis was echt onderdeel van de vakantie. We hebben ons uiteindelijk zestien uur en bijna 1200 km niet druk gemaakt. Dat kon ook sneller, 13 uur zou ook haalbaar moeten zijn, maar dit voelde nu prima. Op naar de volgende reis!

Wat als je het niet zelf kunt uitzoeken?

Onze nieuwste workshop heet ‘Zoek het zelf lekker uit’. Waarom deze titel? Omdat je altijd een eigen verantwoordelijkheid draagt en zelf in actie zult moeten komen als je leven niet helemaal loopt zoals je je dat had voorgesteld. Jij bent immers de enige die weet hoe het anders zou moeten of hoe je het anders zou willen.

En toch zijn er soms situaties waarin je het niet zelf kunt of durft uit te zoeken. Ik (Arthur) deel in deze blog drie ervaringen van gebeurtenissen uit mijn jeugdjaren waarin ik het niet zelf kon of durfde uit te zoeken en wat ik daarvan heb geleerd.

Mijn eerste gevoel van onvrijheid vond plaats in de brugklas. We hadden Nederlandse les in een bijgebouw. Zo’n locatie waar af en toe een klas komt maar voor de rest van de dag is uitgestorven. Als kleinste van de klas was ik vaak ‘de pineut’. Zo noemde ik dat toen, vandaag zou het woord ‘gepest’ beter passen.

Brugklas F.A.Minkema Woerden 1975

Ik liep na de les als laatste het gebouw uit toen klasgenoot Peter W., de grootste en stoerste jongen van de klas, terugliep, mij omhoogtilde en mij aan mijn broekriem ophing aan een kapstokhaak (de bovenste grote haak) en wegliep. Ik kon mijn riem niet losmaken door mijn eigen gewicht en elke poging daartoe verhevigde de pijn. Immers je ‘zaakje’ komt aardig in de verdrukking. Het heeft zeker een uur geduurd voordat er iemand kwam om mij uit deze benarde positie te bevrijden.

Het was het langste uur ooit en het heeft mij twee dingen geleerd: (1) om mij over te moeten/kunnen geven aan een situatie waarin ik niets aan kan veranderen en (2) wat onvrijheid en hulpeloosheid met een mens kan doen. Ik moest wachten op hulp. Ik had domweg geen keuze. 

Over ‘zaakje’ gesproken. De tweede gebeurtenis was in de vakantieperiode en vond meer dan eens plaats. Ik had een oom in Oostenrijk, het land waar mijn moeder is geboren en waar wij dus geregeld vertoefden. Ik kon bijzonder goed opschieten met Oom M.. Hij had een merkwaardig soort humor en bijzondere affectie met discipline en orde die mij intrigeerde. We hebben veel gelachen, maar hij ‘zat ook vaak aan mij’ op een manier die ik toen niet kon verklaren. Ik verzette mij wel als het gebeurde, maar groot als hij was had dat niet heel veel effect. De enige vrijheid ik mijzelf kon bieden was aan te geven op de klok naast zijn bed met van die omslaande cijfers, dat het ‘over 10 minuten toch echt wel over moest zijn’. Dat omslaan van die cijfers duurde eeuwig omdat het enige dat ik deed was kijken naar die klok terwijl oom M. zich aan mijn lichaam vergreep.

Hoe lang een minuut soms kan duren

Ik wist niet hoe ik de vrijheid moest verkrijgen anders dan een limiet aan de tijdsduur van mijn onvrijheid zelf te bepalen. Ik heb hem sindsdien niet meer gezien.

Ik had het niet fijn op de middelbare school. Ik vond de lessen niet leuk en wilde liever buiten spelen en zwemmen. Het advies aan het eind van de brugklas werd dan ook, door de matige cijfers, Mavo. Mijn vader was daarover erg boos en zei me dat ik de brugklas over moest doen zodat er een ander resultaat uit zou komen namelijk ‘Atheneum’. Dat lukte, maar na een paar jaar stuurde mijn ouders me alsnog naar een jongensinternaat omdat ik in vier Atheneum alsnog strandde.

Jongensinternaat Holterhoek 1978

Een strenge discipline werd me opgelegd. En hoewel het internaat stevig werd geleid gaf de internaatsdirecteur mij het advies om de Havo maar eerst eens te doen. Dat luchtte mij enorm op en mijn zelfvertrouwen nam toe. Ik leerde, weliswaar door een gedwongen ervaring, dat er een relatie bestaat tussen gedisciplineerd huiswerk maken en goede resultaten. 

De Havo-docent wiskunde schreef de wiskundevergelijkingen in minutieus kleine stapjes uit op het bord zodat ik op een gegeven moment zelf de grotere stappen kon maken en het abstracte denken kon leren. Ik heb daar geleerd dat naast discipline ook kleine stapjes elk mens in staat stellen om een eigen leertempo aan te nemen en vooruitgang te boeken. 

Als kind was ik de vrijheid zelve, maar ben ik door onwetenheid, onmacht, een klasgenoot en een oom van mijn vrijheid beroofd. Ik weet dat ik niet de enige ben met dergelijke ervaringen. Het heeft mij in elk geval het inzicht gegeven in wat vrijheid is. Op het internaat leerde ik ook dat er een ander soort vrijheid bestaat. Vrijheid door discipline. En van oom M. heb ik in elk geval geleerd dat er een grens aan onvrijheid kan worden gesteld, maar ook dat het beroven van iemands (onschuld en) vrijheid echt niet in de haak is (to say the least).

Uiteraard zijn dit mijn lessen en niemand kan daar direct iets mee. Maar indirect misschien wel en wellicht dat er ergens iemand is die er kracht aan kan ontlenen. Ikzelf in elk geval door het te delen. En als ‘vrije denker’ en ‘vrij ondernemer’ zal ik altijd blijven strijden voor vrijheid van elk mens, zowel in denken als in doen.

‘Zoek het zelf lekker uit’ is een uitnodiging om zelf op zoek te gaan naar wat belangrijk voor je is en actie te ondernemen. Een workshop waarin wij over onze eigen zoektocht naar vrijheid en verantwoordelijkheid vertellen en vermengen met de noodzaak tot veranderen in een steeds sneller veranderende wereld. ‘Zoek het zelf lekker uit’ is een logisch vervolg op ‘Doen is de beste manier van denken’.

Vergeet het maar!

vergeet het maar

Je herkent het vast wel: overal to-do lijstjes, een herinneringen-app, een notitieboekje in je tas… We schrijven alles op en omarmen elke nieuwe methode die ons daarbij helpt. Van Getting Things Done tot Bullet Journals. Want stel je toch eens voor dat je iets zou vergeten!

En wat blijkt nu? Vergeten is ontzettend belangrijk. Elke dag verandert er van alles om je heen en je moet er niet aan denken om alles te onthouden. Waar vorige week je auto stond is nu niet belangrijk meer. Je brein moet zich voortdurend aanpassen aan de veranderende omgeving: nieuwe dingen onthouden en andere dingen vergeten. We moeten doelgerichtvergeten.

‘Ja natuurlijk’, zal je zeggen, ‘natuurlijk vergeet ik waar ik vorige week mijn auto had staan. Maar het is wel hartstikke belangrijk dat ik onthou dat…’ en vaak gevolgd door een opsomming van to-do’s. Waarvan we dénken dat die in de categorie ‘niet vergeten’ vallen. Maar die best wel eens in de categorie ‘waar vorige week de auto stond’ kunnen vallen. 

We zijn zo bang om iets te vergeten dat we alles proberen te onthouden. Maar creatief en abstract denken lukt je pas als je heel veel informatie vergeet – weglaat, loslaat, negeert.  Vergelijk het met een beeld in een blok marmer, dat je pas ziet als je overtollige marmer wegbeitelt. We hebben ruimte nodig in ons hoofd om nieuwe verbanden te zien, nieuwe dingen te leren en verder te komen. 

Daarom zijn wij een voorstander van niets meer opschrijven. Als het echt belangrijk is, komt het vanzelf weer naar boven. Alles opschrijven zorgt er alleen maar voor dat je heel hard moet onthouden waar je alles opgeschreven hebt. Vergeet het gewoon! 

En vergeet ook rustig dat we dit gezegd hebben 😉

Sta je nou een Yak te scheren?

Er bestaat een engelse uitspraak “yak shaving” die zich als volgt laat uitleggen:

Stel, je kijkt naar buiten en denkt: het is al dagen erg droog, ik moet nodig de tuin sproeien. Maar mijn slang is stuk, dus moet ik eerst een nieuwe slang halen. Maar mijn vrouw is weg met de auto dus dan moet ik met de bus. Maar mijn chipkaart heeft geen saldo, dus dan moet ik de chipkaart van mijn buurman even lenen. Maar die leent mij niets meer, want ik heb laatst een kussen geleend van hem en dat is stuk gegaan.

En voordat je het weet sta je in de dierentuin een yak te scheren, omdat de vulling van het kussen van de buurman van yakken-wol was… 

Dit is een aaneengesloten reeks van voorwaarden om een oplossing te vinden voor stapjes die niét gezet hadden hoeven worden. De bedoeling was immers om je tuin te sproeien en niet om een yak te scheren. Hoe leuk je dat ook vindt en hoe goed je daar ook in bent.

Deze parallel zien we vaak bij zowel kleine als grote organisaties: tussen de oorspronkelijke bedoeling en de weg naar die bedoeling zijn zoveel stappen, systemen en structuren gezet, dat de bedoeling – de tuin sproeien – uit het oog verloren is. Iedereen zet z’n eigen stapjes volgens de functieomschrijving (je vindt het leuk en je bent er goed in!) maar werk je daarmee nog aan de bedoeling? Moet jouw stapje nog wel gezet worden? Sta je niet een yak te scheren terwijl de planten water nodig hebben?

En dit zie je niet alleen veel bij organisaties, maar waarschijnlijk ook bij jezelf. Hoe vaak wil je iets, maar doe je het niet want wat nou als…? Of doe je iets anders omdat je denkt dat je éérst dat moet doen? Of wacht je totdat, want pas als… dan… 

Of het nu om mensen of organisaties gaat; wie ‘voorwaardelijke’ stappen zet om richting de bedoeling te komen, loopt grote kans deze bedoeling al snel uit het oog te verliezen. Stel jezelf dus steeds de vraag: Ben ik nou een yak aan het scheren?

Geïnspireerd door Seth Godin

Perfectie is voor amateurs

Je kent ze vast wel. Mensen die aangeven dat ze ‘nogal perfectionistisch’ zijn. Het zou moeten klinken als iets dat eigenlijk niet wenselijk is en stiekem proberen ze dan toch een soort kwaliteit te benoemen waar ze waardering voor willen zien. Ze geven feitelijk aan dat ze iets (of beter gezegd het meeste) ‘heel erg goed’ proberen te doen. Het bij-effect is vaak dat alles buiten die persoon perfect moet zijn, behalve bij zichzelf. Zij zijn meestal zelf het slachtoffer van hun eigen ‘idee van perfectie.’ 

Als je al voor perfectie zou willen gaan, maak het dan inclusief de krassen. Inclusief de verwering en verwording van het gebruikte of het ervarene. Inclusief de pijn van het plezier dat eraan voorafging. Inclusief de imperfectie van jezelf.

‘Perfectie’ is een uiterst inspannende aangelegenheid en in elk geval zeer tijdelijk van aard. Het meest ‘perfecte’ verouderd, verandert, vervalt, verbleekt of verwordt op welke manier dan ook. Er is altijd weer een andere of nieuwe situatie die ‘perfecter’ is. Daarmee vervalt dat wat daarvoor nog ‘perfect’ leek.

Perfectie is voor amateurs. Schoonheid schuilt immers in de imperfectie.

‘I killed a thousand beautiful moments, searching for the perfect one’ – Gapingvoid.

You only live once – but if you do it well, once is enough – Mae West

Arthur: 12 September j.l. heeft mijn vader zijn laatste adem uitgeblazen. De laatste paar dagen in het definitieve afscheid hebben wij goed met elkaar kunnen doorbrengen. ‘Ik zal de muziek van Mahler zo missen’ zei hij. En alhoewel hij in overleden staat geen last meer van ‘iets missen’ zal hebben, is er zeker ook geen mogelijkheid meer om ‘ervan te genieten’. Dat genieten kan slechts bij leven en is dus tijdelijk van aard. (Althans voor zover ik kan overzien).

Mijn vader wás zijn werk, waardoor hij er, als vader, vaker niet dan wel was. Toch had hij daar geen spijt van omdat hij hart en ziel in zijn werk legde. Ik vroeg hem een dag voor overlijden wat hij zou doen als hij ineens weer alle energie en van zijn ziekbed kon opspringen. Zijn antwoord: ‘Dan zou ik direct weer aan het werk gaan’.

De laatste jaren drong de tijdelijkheid van alles tot mijn vader door en besloot hij om zijn kennis zoveel mogelijk zowel door te geven als ‘vast te leggen’. Het doorgeven deed hij in een Master-opleiding in samenwerking met een hogeschool, maar mijn vader was er nooit echt tevreden mee. Het vastleggen van zijn kennis deed hij door het aanleggen van een flink papieren archief. Tot vlak voor zijn overlijden is hij hier mee bezig geweest, en eigenlijk ook altijd al met het besef dat niemand er ooit iets aan zou gaan hebben. Hij wist dat het voor niets zou zijn en dat het vooral een eigen idee van drang tot voortleven betrof.

Nu, alleen in zijn huis, gaan al die spullen door mijn handen. Rapporten, publicaties, rechtbankgevechten, jaarverslagen, terabytes aan data op USB-sticks en harde schijven. Ik wil het langzaam en met aandacht doen, respectvol naar de verhalen die zijn werk en zijn leven representeren. Ik besef bij alles, meer dan ooit, de tijdelijkheid van het leven en wat wij voortbrengen en aan waarde creëren. Ik had liever een rapport minder verscheurd en een aanmoediging meer ontvangen. Een publicatie minder gezien en een knuffel meer gehad. Een vergaderverslag minder gezien en een liefdevolle blik meer willen ontvangen, maar dingen gaan zoals ze gaan.

Voor een enkeling zorgt een ontdekking of een inzicht in de historie voor eeuwige roem, maar voor de meesten gaat het verhaal toch verloren. Daar is geen papier tegenop gewassen. Het archief waar hij zo druk mee was, gaat grotendeels de vernietiger in, want er is geen samenhang meer. Geen verbindend verhaal. Geen beleving achter de voortgebrachte tekst.

De knuffel, de aanmoediging en de liefdevolle blik staan bij mij elke dag op het menu. Waarde zit ‘m in wat je nu, vandaag, doet. Voor jezelf en voor de ander.

Rust zacht pa.

Zeg vaker en bewuster NEE.

Het klinkt zo eenvoudig: als je ‘nee’ zegt tegen activiteiten die je niet meer wilt of zou moeten willen, creëer je ruimte voor activiteiten die je wel wilt – of zou moeten willen. 

Ik ben de eerste om toe te geven dat dit ontzettend moeilijk is. Vaak heb je zelf of de mensen om je heen bepaalde verwachtingen van wat je doet of altijd gedaan hebt. Dat afsluiten is echt lastig en kan soms zelfs strategisch onhandig zijn. Maar als het niet langer z’n doel dient, of het jouw energie eindeloos vraagt, dan is stoppen de enige mogelijkheid. 

Daarvoor heb je in ieder geval twee dingen nodig: inzicht in wat je energie kost en inzicht in wat je energie oplevert. Dat laatste is belangrijk: alleen dan weet je waarom je ‘nee’ zegt. Want als er geen ‘ja-richting’ tegenover staat, dan creëer je ruimte die je niet vult met iets waar je je tijd wél aan wilt besteden. 

En wat er tenslotte nodig is, is moed! Moed om de verwachting van een ander in te wisselen voor de eigen verwachting van jezelf. Moed om de consequenties van je keuze te aanvaarden. Moed om de druk van collega’s te weerstaan. Moed om vrienden te verliezen en onzekerheid boven zekerheid te stellen.

Je tijd is beperkt. Verspil het niet.

Wil je mijn ogen zijn?

Onlangs kwam ik de app Be My Eyes tegen en ik vond een zo’n mooi initiatief dat ik me gelijk aangemeld heb. Waarom? Omdat dit een voorbeeld is van het kleinst mogelijke stapje dat je kunt zetten.

Be My Eyes is een app die blinde/slechtziende mensen koppelt aan mensen die wel goed kunnen zien. Als iemand graag hulp wil, doet hij of zij een oproep via de app en kunnen anderen daarop reageren. Vanochtend had ik mijn eerste ervaring daarmee: een vrouw kon niet goed zien of ze wasmachine goed ingesteld had. Ze vroeg of iemand even kon meekijken of de machine inderdaad op ‘bonte was 40 graden’ stond. Via een videoverbinding, opgezet door de app, kon ik meekijken en daarmee deze dame een grote dienst bewijzen. Kleine moeite, groot plezier.

Vaak horen we dat mensen die onze workshops volgen of onze blogs lezen, het moeilijk vinden om te bepalen wat een ‘kleinst mogelijk stapje’ is. Nou, dit is een prachtig voorbeeld. Het kost je nauwelijks tijd of moeite. Het is wel een mooie stap 1 om de wereld een beetje mooier te maken. 

Zelf ook goede voorbeelden? We zijn benieuwd!

Het is nooit af!

Het is sociaal correct om de vraag “hoe gaat het?” met “Goed… druk” te beantwoorden, maar daar doen wij als Vrije Denkers natuurlijk niet aan mee. Want weet je, het is toch nooit af. Elke keer als je zegt “Dit moet echt even af, want anders…” dan neem je jezelf in de maling. Het is de grote valkuil van ondernemers, maar ook van veel werknemers: je laten leiden door (zelf)opgelegde deadlines. Vooral deadlines die van hogerhand opgelegd worden willen nog wel eens fictief zijn. Gewoon om maar een datum te hebben. Maar als niemand vraagt naar de reden van de deadline dan rent iedereen om die datum te halen en dat gaat ten koste van de kwaliteit.

Hoe dan wel? Dat is voor iedereen anders. Wissel eens af tussen “om 15 uur stop ik met werken” en “ik doe vandaag deze 12 dingen en daarna stop ik”. Dat begint natuurlijk met een afspraak met jezelf dat je niet steeds maar dóór blijft gaan. Dat je stopt als het ‘genoeg’ is. Maar wat is ‘genoeg’voor jou? Voor ondernemers is het meestal ‘meer opdrachten is meer geld is meer zekerheid’, maar wanneer stopt het? Wanneer is het genoeg? Ook voor werknemers, die vaak doorgaan tot de stapel werk op hun bureau weg is. Maar guess what? Morgen ligt er weer zo’n stapel. En misschien zelfs wel meer. Dus hoe ver ga je? Experimenteer eens met stoppen op een bepaalde tijd en stoppen na een afgebakende hoeveelheid taken. En kijk wat werkt voor jou. Want echt, werk is niet het enige belangrijke in je leven.

‘Skin in the game’ – ben jij de kip of het varken?

Stel, je bent boer en op een ochtend heb je ontzettend zin in een omeletje met ham. Je overlegt met de kip en met het varken of ze hieraan mee willen werken. Allebei zeggen ze toe, maar niet vanuit eenzelfde intentie. De kip legt een ei en draagt bij aan je ham-omelet. Het varken staat ham af en committeert zich daarmee 100% aan jouw doelstelling. Het varken heeft letterlijk het ‘skin in the game’ en heeft pijn. De kip wandelt vrolijk verder.

Voel je ‘m al? Wat ben jij in jouw organisatie? Draag je bij, sta je iets af van jezelf zonder dat je de consequenties direct voelt? Of committeer jij jezelf, draag je de volle verantwoordelijkheid van je acties en doet het dus ook echt zeer doen als het niet lukt? Hoe betrokken ben jij? 

De Engelse uitdrukking ‘skin in the game’ (met dank aan Nassim Taleb) geeft dit goed weer: wie echt betrokken is bij het behalen van een doel, draagt ook de risico’s als het niet lukt. Voor veel ondernemers is dit de dagelijkse gang van zaken. Wie een paar weken niets uitvreet, heeft ook geen inkomen. Bij de meeste werknemers in grote organisaties is actie en beloning minder hard aan elkaar gekoppeld; lange vergaderingen, een tandje lager of uitgebreide koffiepauzes hebben meestal niet direct consequenties voor het salaris aan het einde van de maand. Maar als je de afstand tussen ‘mens’ en ‘activiteit’ verkleint en je zorgt dat zowel de positieve als de negatieve gevolgen gelijk gevoeld worden, dan koppel je dus de waarde direct aan de (effectiviteit van de) activiteit. Dan denk je wel twee keer na of je een nutteloze vergadering van twee uur gaat bijwonen, of dat je je tijd beter gaat besteden.

Committeren aan je werk is niet nieuw. In vroegere tijden metselden huizenbouwers met stenen waar hun handtekening in stond. Stortte een huis of een brug in, dan waren daar vaak mensenlevens mee gemoeid. Voor de bouwer betekende dit dezelfde consequentie, namelijk een levenslange celstraf of soms de doodstraf. Bruggenbouwers moesten na voltooing van de bouw een tijdje onder hun eigen brug wonen met zijn gezin. Stortte het in dan waren de consequenties direct voelbaar.

Meer ‘skin in the game’ zou voor veel sectoren een oplossing zijn. Denk bijvoorbeeld aan de bancaire sector en dan in het bijzonder het meeste recente voorbeeld van het niet hebben van ‘skin in the game’ bij ING waar de leiding van de witwas-affaire vrijuit gaat omdat ‘niemand het overzicht had’ en ‘niemand specifiek verantwoordelijk’ kon worden gesteld.

Hoe zit dat met jou? Ben jij de kip of het varken?

Michelangelo had het fout.

“Het grootste gevaar is niet dat ons doel te hoog ligt en we het niet halen, maar dat het te laag ligt en we het wel halen.” – Michelangelo

Een interessant klassiek betoog en passend als je je leven betekenisvol wilt leven.

Maar dat is ook gelijk en precies waar veel mensen last van hebben. (Te) groot en meeslepend denken. En dan blijft snel bij intenties. Michelangelo heeft natuurlijk gelijk als er geen nobele bedoeling voorafgaat aan de stappen die je zet, dan dwaal je doelloos rond. Maar als die bedoeling er wel is dan zit een onvermogen aan het zetten van kleine stappen je wel degelijk in de weg. En dan schuilt het werkelijke gevaar dus niet langer in het gebrek aan een grotere bedoeling, maar in het onvermogen om met kleine stapjes te bewegen in de richting van die bedoeling.

Een voorbeeld. Laatst gaven we na onze keynote een masterclass. We hebben het eerste uur in die masterclass gewerkt aan het scherp krijgen van de bedoeling en aan de kleinst uitvoerbare stap van iedere individuele deelnemer. Vervolgens kregen ze het laatste half uur van de masterclass de gelegenheid en de uitdaging het ook werkelijk te ‘doen’. Uit te voeren. Er een ’emergente practice’ van te maken. Een daadwerkelijke stap te maken dus in de richting van de geformuleerde bedoeling en de intentie in te wisselen voor ervaring.

En we bedoelden echt ‘nu’ – niet: ‘Morgen geef ik meer ruimte aan mijn team’ of ‘Vanaf volgende week zorg ik dat er meer fouten mogen worden gemaakt’. Dat zijn immers intenties voor verderop in de tijd. Het gaat om het gedrag nu. In dat halve uur kwamen slechts enkelen van de mensen toe aan het echt uitvoeren van iets. Gedrag waaruit dus blijkt dat er iets gedaan is en waarvan van geleerd is. Het merendeel verbleef in de intentie van morgen en volgende week. Op de vraag ‘en wat heb je daadwerkelijk geleerd van het zetten van de stap’ kon slechts een enkeling een antwoord geven.

Een masterclass is bij uitstek een gelegenheid om iets te leren en te doorvoelen, dus daarin voorzag de oefening prima. Voor zowel de deelnemers als voor ons. Een prima oogst van het experiment.

Onze conclusie: Het euvel van ‘niet tot uitvoering komen in het moment’ is zeker geen onwil van de deelnemers, er wordt hard nagedacht en echt geprobeerd, maar het zit ‘m vooral in het onvermogen om klein(er) te denken. En dan ook te ‘doen’. Vijfennegentig procent van de mensen blijft op hun stoel zitten met gefronste wenkbrauwen, geanimeerde handbewegingen en bewegende mond. De overige 5 procent haalt koffie of gaat naar het toilet.

We denken vaak in te grote stappen, om zo snel mogelijk ons doel te halen. Maar een grote stap die je morgen of volgende week wil gaan zetten, heeft als gevaar dat je ‘t vergeten bent als ‘morgen’ of ‘volgende week’ aanbreekt en je vertrouwde gewoontes het weer overnemen. Nogmaals: het resultaat van de stap doet ertoe, maar het gedrag dat daarbij hoort is het echte werk. Een stap 1 om je doel te halen – of nog beter, een stap 1 in de richting van je bedoeling – is een stap die je nu kunt zetten.

Voorbeeldjes: Als je ‘morgen’ ‘iets’ wilt veranderen, kun je het nu in de agenda zetten en vraag je nu een collega om morgenmiddag bij je te checken of het echt gelukt is. Als je vertrouwen wilt vergroten, kan je nu een oefening doen om je achterover te laten vallen. Of als dat te eng is nu vragen aan een vreemde hoe je nu over komt en wat je kan doen om nu meer vertrouwen te krijgen. Als je ‘voortaan’ meer complimenten wilt geven, kan je dat nu al iemand mailen of direct bellen of het nu gelijk zeggen. Als je in ‘de toekomst’ meer vrijheid wilt, neem je nu een halve dag vrij. Of als dat planningstechnisch niet kan, ga je nu een half uurtje wandelen. Of als dat ook niet mogelijk is ga je nu iets langer naar het toilet. Het kan altijd 10x kleiner.

Het is makkelijker dan je ‘denkt’ en dat is precies het euvel. 

We gaven de deelnemers een half uur om iets te doen. Eigenlijk is dat veel te lang. Tien minuten is beter. Als ze het binnen 10 minuten namelijk niet doen gaan ze het ook in een half uur niet doen. En wat wij nog beter kunnen doen is de mensen plenair helpen met het inzicht van wat er nu allemaal mogelijk is.

Ik heb er nu een blog over geschreven. Nu is immers beter dan binnenkort.


Vergeet goede voornemens!

Ongeveer driekwart van alle Nederlanders is deze maand hun leven drastisch aan het veranderen met het najagen van goede voornemens. De meeste van deze voornemens draaien om het minderen van slechte gewoontes (sigaretten, alcohol) of het vergroten van goede gewoontes (gezond eten, meer bewegen), maar bijna alle goede voornemens worden vertaald in doelen. “Stoppen met roken”, “20 kilo kwijt”, “6x per week naar de sportschool” – inclusief een uitgewerkt plan om deze doelen te halen. Hoe nobel ook, de kans dat je deze voornemens volhoudt, is vrij klein. We noemen het immers niet voor niets voornemens. Het zijn slechts voornemens om iets te doen, we doen het (nog) niet. Het is geen actie, maar het vóórnemen om een actie te ondernemen.

Maar hoe dan? Doorgaan op oude voet is waarschijnlijk ook geen optie, anders maak je geen goede voornemens. Wij denken dat juist door een doel en een plan te maken, je vrij snel weer vervalt in die oude gewoontes. Waarom? Omdat plannen niet werken. Omdat resultaten niet te voorspellen zijn. We hebben hier al eerder over geschreven voor bedrijven maar het geldt net zo goed voor persoonlijke levens. Een onverwacht feestje, een verstuikte enkel, nét te veel stress zorgen toch voor weer een biertje, een paar weken niet hardlopen en het opsteken van een sigaret. Weg motivatie.

Dus hoe dan wel? Ook hier kun je ons advies voor bedrijven toepassen: werk met een bedoeling. Ga voor ‘gezonder leven’ en minder drinken, niet meer roken en meer bewegen volgt daar vanzelf uit. Natuurlijk is dit net zo moeilijk vol te houden als een goed voornemen, maar je hebt niet ‘gefaald’ als je toch een biertje drinkt. Je maakt het pad terwijl je het bewandelt. Je zet stap 1de kleinst mogelijke stap die je op dat moment kunt nemen (een glas water bij elk glas wijn waardoor je minder drinkt, of een blokje om ’s avonds in plaats van een slechte realityshow kijken), kijkt hoe dat bevalt en zet dan weer stap 1. Alle nieuwe gewoontes die je volhoudt en bijdragen aan je bedoeling, zijn gewoontes die bij je passen. 

Dus: wat is jouw bedoeling voor 2019 en welke stap 1 heb je al gezet?

Groei zonder groeidoelstelling, business zonder businessplan.

In veel bedrijven zijn de maanden september tot en met december altijd wat hectisch. Niet alleen qua omzet of kerstkaarten, maar voor het einde van het jaar wordt ook flink gewerkt aan strategieplannen, marktsegmentatie-plannen, businessplannen en nieuwe product-marktcombinaties die voor het nieuwe jaar goed in de steigers moeten staan. En in de maanden daarna wordt alles op alles gezet om al die plannen om te zetten in actieplannen en kwartaalmeetings waarin de voortgang en resultaten worden besproken. 

Ik was daar in een vorig leven gemiddeld ook zeker zo’n 90% van mijn tijd aan kwijt. En toen we allebei uit dat strakke planningskeurslijf van onze toenmalige werkgever stapten en de Vrije Denkers zijn gestart, werd ons regelmatig de vraag gesteld door oud-gedienden in het vak: ‘En wat is jullie business plan?’ Welke markt gaan jullie bedienen? Welke product/marktcombinaties hebben jullie op het oog?’

Wij hebben heel bewust de keuze gemaakt om onze tijd daar niét aan te besteden, maar onze focus direct te leggen op het goed in contact zijn met klanten en hen te helpen met waar wij goed in zijn. Daar hebben we zicht op en een neus voor. Elk moment van de dag.  

Het ontbreken van marktsegmentatieplannen geeft ons de vrijheid om met iedereen in contact te komen. Het is een voorrecht om de ene dag een zorginstelling te helpen, de dag erop een bank een duwtje in de juiste richting te geven, een volgend moment een universiteit een Wake-up Call te geven en de week af te sluiten bij een prachtig familiebedrijf die probiotica produceert en mensen op een magnifieke wijze helpt. Ik was in tranen toen ik daar een dame hoorde over het niet hoeven verwijderen van haar blaas en uiteindelijk van euthanasie heeft afgezien omdat ze weer zin had in het leven. Allemaal door een prachtproduct van een prachtklant. We wisten vorige week nog niet dat we daar een verhaal mochten houden. Geen plan zou vooraf daarin kunnen voorzien.

We doen niet aan marketing. We hebben geen communicatieplan. Geen businesscases. Geen ‘double digit growth’. We zijn domweg in staat om in onze kosten te voorzien en een uitsmijter te eten als we onderweg zijn. Dat hoeft voor ons geen biefstuk te zijn. En geen sushi. En werken doen we overal waar maar nodig. Daar hebben wij geen gebouw als ‘merk’ voor nodig.

Het gevolg van die eenvoud is: een gezonde groei en in alle markten. Wat een rijkdom! Groei als gevolg van de dingen die je met hart en ziel doet, om dat je erin gelooft. Marketing omdat de mensen die je horen je aanbevelen bij anderen. Klanten die ons waarderen, omdat we ons verhaal zijn. Geen ‘bedenksels’ presenteren of aan ‘window-dressing’ doen. Business dus zonder businessplan. 

Wij kijken terug op een jaar waarin we weer veel plezier hebben gehad, dingen hebben aangedurfd, fouten hebben gemaakt, dingen hebben geleerd. Omdat we doen waar we blij van worden en waar we goed in zijn. Omdat ook wij mensen willen helpen met waar wij ook goed in zijn. Wij ‘zijn’ onze ‘product-markt-combinatie’.

We zouden achteraf moeten herleiden welke segmenten we zaten, hoeveel groei we waar hebben gehad, welke klant rendabel was of wie we zouden moeten bellen. En dan die resultaten dan weer omzetten naar een plan voor komend jaar waarmee we minstens 10% groei kunnen realiseren. Nee, ik geloof dat ik liever mijn tijd besteed om samen met m’n dochtertje de kerstballen in de boom te hangen. 

Verdoe jij je tijd?

Wie ons filmpje kent weet al dat wij een voorstander zijn van veel lachen en veel vragen stellen. Waarom? Omdat dit alles te maken heeft met creativiteit. Het aantal vragen dat je stelt op een dag, vermenigvuldigt met het aantal keer dat je lacht, geeft een goede indicatie van je creativiteit. Zo zie je dat kinderen creatiever zijn dan volwassenen: je bent op je creatiefst als je 5 jaar bent, en op je 8ste is dat meestal al gehalveerd. Op je 44ste bereiken de meeste mensen een dieptepunt: terminale serieusheid genaamd. Na de pensioenleeftijd schiet de creativiteitsindex vaak weer omhoog. Als wij aan deelnemers vragen waarom, krijgen we als antwoord: ‘omdat je dan weer gaat doen wat je echt leuk vindt’.

Dat is natuurlijke een pijnlijke constatering, maar minstens zo pijnlijk is de constatering van Rutger Bregman tijdens een aflevering van Tegenlicht: ‘Een kwart van de beroepsbevolking twijfelt over het nut van zijn/haar baan’. Mensen met bullshitjobs en mensen die blijven hangen in een baan om hun pensioen af te wachten zijn niet zo heel erg verschillend. Of je nou een baan hebt die onzin is voor de maatschappij (bullshit-werk) of onzin voor jezelf (niet passend werk) – in beide gevallen is het heel erg jammer als je wel blijft zitten. Wat houdt jou tegen om daar iets tegen te doen?

Wie blijft zitten in onzin-werk of niet-passend werk, verliest tijd, energie en talent. Verspilling van talent hebben we het vaker over gehad maar ook verspilling van tijd is onnodig en heel erg zonde: van tijd heb je maar een beperkte voorraad, namelijk 24 uur per dag. Waarom zou je die niet besteden aan iets wat energie oplevert? Waar je je talent in kwijt kunt? Waar je blij van wordt?

Natuurlijk kun je vast honderden redenen bedenken waarom je het niet kúnt. Maar ook daar hebben we het al eerder over gehad: je bent zelf verantwoordelijk voor je acties – of het gebrek daaraan. We zijn benieuwd: lijkt jouw baan op een bullshit-job? Stel je geen vragen meer en lach je ook bijna niet meer op je werk? Dan is het misschien tijd om actie te ondernemen en iets te doen dat beter bij jou past en de maatschappij. 

Hoe ruikt jouw werkplek?

In dit filmpje The Smell of the Place is professor Sumantra Goshal te zien, die met een prachtige metafoor vertelt over waarom de meeste organisaties ‘vast’ zitten, en waar ook de medewerkers ‘vast’ zitten. Volgens hem zit verandering (‘revitalising’) niet in het veranderen van de ménsen, maar in het veranderen van de context.

De metafoor die hij gebruikt is die van zijn geboortestad Calcutta, waar het in de zomer boven de 40 graden is met een luchtvochtigheid van 99%. Een omgeving die maakt dat je je moe voelt en alleen maar binnen wilt blijven. Heel anders dan de bossen van Fontaineblue, waar hij jarenlang woonde en die hem deden dansen, springen en rennen – die uitnodigen tot bewegen.

De meeste organisaties, zo zegt hij, hebben de ‘lucht’ van Calcutta. Medewerkers zijn moe en willen niet bewegen. Er is een ‘luchtvochtigheid’ in de vorm van structuren, regels en processen, er is sprake van randvoorwaarden (‘constraint’), van volgzaamheid (‘compliance’), van controle en van contracten. Volgens Goshal kun je de ‘smell’ van de organisatie aanpassen en zo de medewerkers laten bewegen – net als in de bossen van Fontainebleu. Hij geeft als alternatieven ‘stretch’ in plaats van constraint; een omgeving waarin medewerkers uit zichzelf méér doen. En zelfdiscipline in plaats van volgzaamheid; de juiste dingen doen omdat je het wilt en niet omdat het moet. In plaats van controle geeft hij support als alternatief, waarbij de mensen om je heen ‘help you to win’. Als laatste is het alternatief voor contracten ‘vertrouwen’ – laat los en zie wat er gebeurt.

We hebben het al vaker gehad over de rol van het management in organisaties, en hun automatische neiging om nog meer regels te maken op het moment dat iets niet goed gaat. Wij vinden dat de rol van managers juist is om meer waarde te creëren, in plaats van meer regels. Om medewerkers te steunen om het goede te doen en om meer te leveren dan van ze verwacht wordt. Dus in plaats van individuele medewerkers proberen te veranderen, verander de ‘smell’ van je organisatie en laat je mensen uit zichzelf in beweging komen.

Ben ik eigenlijk wel sterk genoeg?

Een tijdje geleden had ik zelf een cursus waar de energie vanaf spatte en waar iedereen euforisch was over de opgedane kennis en ervaring. Vanaf nu zou alles anders gaan! Totdat iemand de vraag stelde: “Maar hoe hou ik dit vast? Hoe voorkom ik dat ik mij weer mee laat slepen door de waan van de dag?”

Deze vraag stellen we ons allemaal wel eens. Maar eigenlijk is het een hele merkwaardige vraag. Want je bepaalt helemaal zelf of je dit vasthoudt – of inderdaad de waan van de dag laat regeren. De vraag die je eigenlijk zou moeten stellen is: “Ben ik sterk genoeg om te doen wat ik mij voorneem om te doen, of ben ik het niet waard om mijn tijd betekenisvol te besteden?” Daarmee krijgt een voornemen om iets te veranderen een hele andere lading. Sta je ‘aan’ tijdens het maken van dat voornemen en zet je jezelf weer ‘uit’ om in je oude routines te vallen? Dan ben je niet sterk genoeg. Of je bent bang voor de consequenties van je keuzes. Je kunt alleen iets vasthouden – een voornemen of de energie die je voelt tijdens een cursus – als je ‘aan’ blijft staan. Als je het dus ook echt gaat doén.

Natuurlijk is het helemaal niet erg als je het niét gaat doen. Maar geef niet het systeem, de omstandigheden of de waan van de dag de schuld – het is altijd je eigen verantwoordelijkheid. Als je geraakt wordt, ga je aan de slag. Als je niet aan de slag gaat, dan wil je het niet graag genoeg.

‘Het is immers wel belastinggeld’

Tijdens gesprekken met potentiële opdrachtgevers, lichten wij altijd toe hoe ons ‘waardebepaling achteraf’ principe werkt. We geven aan dat we met een bandbreedte werken en dat het bedrag op de uiteindelijke factuur ergens binnen die bandbreedte zou moeten uitkomen. E.e.a. afhankelijk van hoe men onze prestatie in de praktijk heeft ervaren. De opdrachtgever bepaalt dus de uiteindelijke waarde die wij hebben geleverd – achteraf en binnen de vooraf afgestemde bandbreedte. Zijn ze erg tevreden gaan ze meer bovenin de bandbreedte zitten (of er zelfs overheen als ze het uitmuntend vonden). Zijn er punten ter verbetering of hebben we anderszins niet helemaal naar verwachting geleverd, dan zitten we rond het midden of richting de onderkant van de bandbreedte.

We hebben recent te maken gehad met twee overheidsorganisaties die zeer tevreden waren met onze prestatie, maar toch in het midden van de bandbreedte uitkwamen als bedrag, in het waardebepalingsgesprek dat wij een week na de prestatie te hebben geleverd, met als argument: ‘Het is wel belastinggeld waar we mee werken.’

Een argument waar iedereen het mee eens kan zijn. Toch?

Wij niet. Om verschillende redenen. Als je vooraf met elkaar afspreekt dat de bandbreedte er is om de prestatie die wij leveren te waarderen, dan moeten de argumenten ook in relatie tot die prestatie liggen. Als het ‘belastinggeld uitgaven beperken’ een argument in de overweging is, en dat is natuurlijk een goed argument, maar dan moet wel dat vooraf besproken zijn.  En als vooraf de bandbreedte knelt in het budget, dan zijn er twee mogelijkheden. Of wij doen het niet, of wij doen iets met de bandbreedte. Maar we kunnen nog iets doen omdat het vooraf wordt overwogen. Fair enough.

Als je dat argument achteraf gebruikt, dus ná onze prestatie, neigt het een gemaskeerd excuus te zijn dat wordt gebruikt om het factuurbedrag onheus omlaag te brengen. Dat is op z’n minst niet netjes, maar het schaadt vooral het vertrouwen. Het is immers niet wat we vooraf met elkaar zijn overeengekomen.

Als wij minder presteren dan verwacht, of een van ons twee had een slechte stem, of we konden het publiek, het sentiment of het thema van de bijeenkomst onvoldoende adresseren, dan is het een ander verhaal. Dat zijn allemaal argumenten die de waarde van onze prestatie, terecht, negatief beïnvloeden. Dan is een bijstelling omlaag gerechtvaardigd.

Eén van die twee overheidsinstellingen wilde ons een jaar later voor tweede keer op het podium hebben en dit keer iets langer dan de vorige keer. Geweldig natuurlijk en een herbevestiging van de tevredenheid over onze eerdere prestatie door de opdrachtgever. Zij gaven echter wel aan dat de waardebandbreedte die bij die langere podiumtijd hoorde aan de hoge kant was met als argument, je raadt het al, ‘het is immers wel belastinggeld’. Gelukkig was het dit keer vooraf en dan kun je het er in elk geval met elkaar over hebben.

Ik gaf aan dat ik het bijzonder op prijs stelde dat het belastinggeld zo goed en overwogen wordt uitgegeven. Maar ik voegde er wel wat aan toe.

De eerste sessie bij die instelling was een mooie bijeenkomst en wij brengen het publiek in een modus waarbij we ze (1) verleiden om ten minste één onderwerp mee te nemen uit onze sessie van de vele die we aanreiken en (2) om het kleinst mogelijke uitvoerbare stapje dat zij zelf kunnen zetten ook daadwerkelijk te zetten. Vandaag liefst nog, maar morgen uiterlijk. Toevallig hadden wij dit keer op het einde een korte evaluatie met daarbij de oproep aan de mensen om te gaan staan. Ze kregen de aanmoediging om te gaan zitten als ze niets in de sessie hadden gevonden waar ze iets mee konden. Van de tachtig mensen bleven er negenenzeventig staan. De vervolgvraag was ‘ga zitten als je morgen daadwerkelijk een stap gaat zetten. Er gingen een man of tien, twaalf, zitten in de wetenschap dat de waan van de dag het toch wel zou overnemen. Bijzonder moedig en eerlijk en bovendien realistisch. Een man of zestig bleef dus staan. Ze hadden er iets aan en zouden ook iets ondernemen.

Mooi resultaat, zou je zeggen.

Bij het argument ‘het is immers belastinggeld’ had ik dus de logische vervolgvraag, ik ben immers die belastingbetaler, wat is er eigenlijk in het afgelopen jaar gebeurd met het resultaat van die eerste workshop een jaar geleden? Als zestig mensen toezeggen er iets mee te gaan doen, dan moeten er toch een paar zijn geweest die ook daadwerkelijk in actie zijn gekomen. En ik ben, als het argument van ‘het is belastinggeld’ word ingezet, nieuwsgierig geworden naar het effect van inzet van dat gemeenschapsgeld. Er is immers door ons een aanzet gedaan, die is gewaardeerd, en wat hebben de mensen met die investering gedaan. Hebben ze het goed ingezet? Aangewend? Hebben ze het gat tussen denken en doen wat kleiner gekregen? Wat was het effect van die investering en hoe stond het met de afspraak die ze met zichzelf hadden gemaakt.

Het viel stil aan de andere kant van de tafel. ‘Je hebt een punt’ was het antwoord.

We konden onze normale bandbreedte blijven hanteren voor de tweede sessie.

Dus ben je van een overheidsinstelling en wil je het argument ‘het is immers belastinggeld’ hanteren. Dat is je goed recht en het dient een nobel doel. Maar wees er dan in elk geval wel op voorbereid dat wij het antwoord, op de vraag of het belastinggeld goed is besteed, zullen komen ophalen. Er is immers (1) een uitgave aan ons voor de prestatie, maar (2) de grootste prestatie moet uiteindelijk de medewerkers van de instelling daarna geleverd worden. Het één kan niet zonder het ander. Als geld van de belastingbetaler wordt uitgegeven, dan is heeft diezelfde belastingbetaler recht op inzage van het effect van die investering. En als dat effect uitblijft heb je iets uit te leggen. Niet in het minst aan jezelf. Maar nog meer aan de gemeenschap die het uitgeven van dat belastinggeld in handen legt van die instituten.