Ben ik eigenlijk wel sterk genoeg?

Een tijdje geleden had ik zelf een cursus waar de energie vanaf spatte en waar iedereen euforisch was over de opgedane kennis en ervaring. Vanaf nu zou alles anders gaan! Totdat iemand de vraag stelde: “Maar hoe hou ik dit vast? Hoe voorkom ik dat ik mij weer mee laat slepen door de waan van de dag?”

Deze vraag stellen we ons allemaal wel eens. Maar eigenlijk is het een hele merkwaardige vraag. Want je bepaalt helemaal zelf of je dit vasthoudt – of inderdaad de waan van de dag laat regeren. De vraag die je eigenlijk zou moeten stellen is: “Ben ik sterk genoeg om te doen wat ik mij voorneem om te doen, of ben ik het niet waard om mijn tijd betekenisvol te besteden?” Daarmee krijgt een voornemen om iets te veranderen een hele andere lading. Sta je ‘aan’ tijdens het maken van dat voornemen en zet je jezelf weer ‘uit’ om in je oude routines te vallen? Dan ben je niet sterk genoeg. Of je bent bang voor de consequenties van je keuzes. Je kunt alleen iets vasthouden – een voornemen of de energie die je voelt tijdens een cursus – als je ‘aan’ blijft staan. Als je het dus ook echt gaat doén.

Natuurlijk is het helemaal niet erg als je het niét gaat doen. Maar geef niet het systeem, de omstandigheden of de waan van de dag de schuld – het is altijd je eigen verantwoordelijkheid. Als je geraakt wordt, ga je aan de slag. Als je niet aan de slag gaat, dan wil je het niet graag genoeg.

‘Het is immers wel belastinggeld’

Tijdens gesprekken met potentiële opdrachtgevers, lichten wij altijd toe hoe ons ‘waardebepaling achteraf’ principe werkt. We geven aan dat we met een bandbreedte werken en dat het bedrag op de uiteindelijke factuur ergens binnen die bandbreedte zou moeten uitkomen. E.e.a. afhankelijk van hoe men onze prestatie in de praktijk heeft ervaren. De opdrachtgever bepaalt dus de uiteindelijke waarde die wij hebben geleverd – achteraf en binnen de vooraf afgestemde bandbreedte. Zijn ze erg tevreden gaan ze meer bovenin de bandbreedte zitten (of er zelfs overheen als ze het uitmuntend vonden). Zijn er punten ter verbetering of hebben we anderszins niet helemaal naar verwachting geleverd, dan zitten we rond het midden of richting de onderkant van de bandbreedte.

We hebben recent te maken gehad met twee overheidsorganisaties die zeer tevreden waren met onze prestatie, maar toch in het midden van de bandbreedte uitkwamen als bedrag, in het waardebepalingsgesprek dat wij een week na de prestatie te hebben geleverd, met als argument: ‘Het is wel belastinggeld waar we mee werken.’

Een argument waar iedereen het mee eens kan zijn. Toch?

Wij niet. Om verschillende redenen. Als je vooraf met elkaar afspreekt dat de bandbreedte er is om de prestatie die wij leveren te waarderen, dan moeten de argumenten ook in relatie tot die prestatie liggen. Als het ‘belastinggeld uitgaven beperken’ een argument in de overweging is, en dat is natuurlijk een goed argument, maar dan moet wel dat vooraf besproken zijn.  En als vooraf de bandbreedte knelt in het budget, dan zijn er twee mogelijkheden. Of wij doen het niet, of wij doen iets met de bandbreedte. Maar we kunnen nog iets doen omdat het vooraf wordt overwogen. Fair enough.

Als je dat argument achteraf gebruikt, dus ná onze prestatie, neigt het een gemaskeerd excuus te zijn dat wordt gebruikt om het factuurbedrag onheus omlaag te brengen. Dat is op z’n minst niet netjes, maar het schaadt vooral het vertrouwen. Het is immers niet wat we vooraf met elkaar zijn overeengekomen.

Als wij minder presteren dan verwacht, of een van ons twee had een slechte stem, of we konden het publiek, het sentiment of het thema van de bijeenkomst onvoldoende adresseren, dan is het een ander verhaal. Dat zijn allemaal argumenten die de waarde van onze prestatie, terecht, negatief beïnvloeden. Dan is een bijstelling omlaag gerechtvaardigd.

Eén van die twee overheidsinstellingen wilde ons een jaar later voor tweede keer op het podium hebben en dit keer iets langer dan de vorige keer. Geweldig natuurlijk en een herbevestiging van de tevredenheid over onze eerdere prestatie door de opdrachtgever. Zij gaven echter wel aan dat de waardebandbreedte die bij die langere podiumtijd hoorde aan de hoge kant was met als argument, je raadt het al, ‘het is immers wel belastinggeld’. Gelukkig was het dit keer vooraf en dan kun je het er in elk geval met elkaar over hebben.

Ik gaf aan dat ik het bijzonder op prijs stelde dat het belastinggeld zo goed en overwogen wordt uitgegeven. Maar ik voegde er wel wat aan toe.

De eerste sessie bij die instelling was een mooie bijeenkomst en wij brengen het publiek in een modus waarbij we ze (1) verleiden om ten minste één onderwerp mee te nemen uit onze sessie van de vele die we aanreiken en (2) om het kleinst mogelijke uitvoerbare stapje dat zij zelf kunnen zetten ook daadwerkelijk te zetten. Vandaag liefst nog, maar morgen uiterlijk. Toevallig hadden wij dit keer op het einde een korte evaluatie met daarbij de oproep aan de mensen om te gaan staan. Ze kregen de aanmoediging om te gaan zitten als ze niets in de sessie hadden gevonden waar ze iets mee konden. Van de tachtig mensen bleven er negenenzeventig staan. De vervolgvraag was ‘ga zitten als je morgen daadwerkelijk een stap gaat zetten. Er gingen een man of tien, twaalf, zitten in de wetenschap dat de waan van de dag het toch wel zou overnemen. Bijzonder moedig en eerlijk en bovendien realistisch. Een man of zestig bleef dus staan. Ze hadden er iets aan en zouden ook iets ondernemen.

Mooi resultaat, zou je zeggen.

Bij het argument ‘het is immers belastinggeld’ had ik dus de logische vervolgvraag, ik ben immers die belastingbetaler, wat is er eigenlijk in het afgelopen jaar gebeurd met het resultaat van die eerste workshop een jaar geleden? Als zestig mensen toezeggen er iets mee te gaan doen, dan moeten er toch een paar zijn geweest die ook daadwerkelijk in actie zijn gekomen. En ik ben, als het argument van ‘het is belastinggeld’ word ingezet, nieuwsgierig geworden naar het effect van inzet van dat gemeenschapsgeld. Er is immers door ons een aanzet gedaan, die is gewaardeerd, en wat hebben de mensen met die investering gedaan. Hebben ze het goed ingezet? Aangewend? Hebben ze het gat tussen denken en doen wat kleiner gekregen? Wat was het effect van die investering en hoe stond het met de afspraak die ze met zichzelf hadden gemaakt.

Het viel stil aan de andere kant van de tafel. ‘Je hebt een punt’ was het antwoord.

We konden onze normale bandbreedte blijven hanteren voor de tweede sessie.

Dus ben je van een overheidsinstelling en wil je het argument ‘het is immers belastinggeld’ hanteren. Dat is je goed recht en het dient een nobel doel. Maar wees er dan in elk geval wel op voorbereid dat wij het antwoord, op de vraag of het belastinggeld goed is besteed, zullen komen ophalen. Er is immers (1) een uitgave aan ons voor de prestatie, maar (2) de grootste prestatie moet uiteindelijk de medewerkers van de instelling daarna geleverd worden. Het één kan niet zonder het ander. Als geld van de belastingbetaler wordt uitgegeven, dan is heeft diezelfde belastingbetaler recht op inzage van het effect van die investering. En als dat effect uitblijft heb je iets uit te leggen. Niet in het minst aan jezelf. Maar nog meer aan de gemeenschap die het uitgeven van dat belastinggeld in handen legt van die instituten.

Er is genoeg voor ieders behoefte, maar niet genoeg voor ieders hebzucht – Ghandi

Het instrument ‘denken’ kan heel nuttig zijn, maar kan ons ook flink in de weg zitten. Door je eigen denken ‘onder curatele’ te brengen, maak je jezelf bewuster van wat je denkt en ben je beter in staat jezelf af te vragen: is dit wat ik nu denk eigenlijk wel waar? Klopt deze gedachte?

Dit geldt vooral voor de gedachten die je van streek maken. Zijn dit dingen die je overkomen, of zit het in jezelf? Het lijkt erop dat we in onze westerse wereld weinig reden tot klagen hebben, met alles wat noodzakelijk is voorhanden: eten, drinken, onderdak, onderwijs… Toch bekruipen ons gemakkelijk tegenovergestelde gedachten; gedachten die aangeven dat er niet genoeg is, of dat jij niet genoeg bent. Gedachten gaan al snel over luxe, verlangen, iets dat er niet is of iets dat er wel is maar dat je juist niet wilt. Wanneer je je daar bewust(er) van bent, dan ben je minder snel slaaf van die gedachten en daarmee automatisch minder van streek.

Zodra gedachten over verlangens gaan en je bent je hier niet van bewust, dan is de kans groot dat je steeds méér verlangt en je gedachten je dus steeds meer van streek maken. Verlangens richten zich over het algemeen ook op een toekomst:

  • ‘als ik dat bezit dan …’
  • ‘als ik dat heb bereikt dan ….’
  • ‘als ik nu eerst maar eens op vakantie ben geweest dan …..’

of op een verleden;

  • ‘als het maar weer was zoals vroeger dan ….’
  • ‘als ik weer zo’n jeugdige energie had als toen dan ….’
  • ‘als de wereld maar weer was zoals 20 jaar geleden dan ….’.

En die verlangens houden je uit alles wat zich op dit moment aandient als werkelijkheid.

En natuurlijk is die werkelijkheid soms rauwer dan andere momenten. De tuin heeft nu water nodig, doe het. Het kind vraagt nu om naar een tekening te kijken, doe het. Je moet nu opstaan achter je computer want je zit al veel te lang, doe het. Maar ook die blik van je geliefde die nu aandacht nodig, geef het. Of die prachtige uitspraak die om stilte vraagt, verstil. Het koele zwemwater dat je lichaam verkoelt, ervaar het.

In de 1eeeuw na Christus schreef Epictetus “Het zijn niet de dingen zelf die mensen van streek maken, maar hun gedachten daarover.” Nog steeds zijn deze woorden voor ons een leidraad om regelmatig onze eigen gedachten onder de loep te nemen. Elke dag, elke minuut komt er immers van alles binnen aan gedachten, waarmee we ons snel neigen te identificeren. Maar niet per se iets met de werkelijkheid van doen heeft.

Observeer van wat er nu is. Omarm het. Aanvaard het.

Tracht niet een man van succes te zijn, maar probeer liever een man van waarde te zijn. (Einstein)

Laatst raakte ik in gesprek met een jonge vent die bij een monetaire instelling werkt. Hij vertelde dat hij daar niet echt meer op z’n plek zat, maar ook niet wist wat hij nou moest doen. Een vraag die we vaker gesteld zien, dus ik nodigde hem uit om een keer samen te lunchen en hierover te praten – wie weet kon ik hem met mijn eigen ervaringen helpen.

Het valt ons vaker op dat mensen vaak zo vast zitten in de status quo en zoeken naar succes, dat ze weinig ruimte voelen om na te denken over wat ze zelf als waardenvol ervaren. Terwijl dat een eerste vereiste is om te weten welke eerste stap je moet zetten. Het antwoord op de vraag “wat is mijn volgende stap?” is dan ook: “wat creëert waarde en wat niet?” Je moet dan natuurlijk wel eerst weten wat VOOR JOU waarde is. Pas dan kun je de vraag over de volgende stap beantwoorden.

Ga maar na bij jezelf. Alles wat je tot nog toe gedaan hebt en met enig gevoel van geluk en tevredenheid op terugkijkt, heeft heel waarschijnlijk te maken met wat JIJ waardenvol vindt. Dát is wat waarde voor jou is, en daarna kun je onderzoeken hoe jouw activiteiten zowel in werk als privé daaraan bij kunnen dragen. En kun je vaststellen of je op koers bent of van koers moet veranderen.

Mensen die ons inmiddels kennen, weten dat we met bovenstaande eigenlijk zeggen: zet geen doel uit zonder eerst ‘je bedoeling’ te kennen. Richt je op wat je belangrijk en betekenisvol acht, en zet vervolgens een stap die in lijn ligt met je bedoeling. (Of noem het een doel, maar kom in elk geval in beweging!)

Zelf stellen wij ons doel nooit in de toekomst, maar altijd hier en nu. Tijdens het lunchgesprek was mijn hoogste doel om volledig IN het gesprek aanwezig te zijn, en werkelijk contact met elkaar te maken. Om open en oprecht nieuwsgierig naar elkaar te zijn. En dat leidt tot de mooiste gesprekken – allebei gingen we vol energie en inspiratie weer onze eigen weg.

Van ‘tegenvallers’ naar ‘opvallers’

In Vrije Denkers huize Kruisman wordt er op dit moment flink getimmerd, gesloopt en verbouwd. Het is een flinke renovatie waarbij regelmatig iets misgaat. Soms door de klussers. Soms door eigen fouten. Soms door leveranciers.

Hoewel de natuurlijke en logische neiging is om liefst alles foutloos te willen zien gaan, hebben we ondertussen geleerd dat de fouten gewoon onderdeel zijn van het proces. Geen uitzondering dus, maar een wezenlijk onderdeel. En naarmate we meer en meer gewend raken aan de ‘niet foutloosheid’ begint zelfs een ware nieuwsgierigheid te ontstaan naar de volgende onverwachte situatie. De energie verschuift van ‘tegenvallers’ naar ‘opvallers’.

Elke ‘opvaller’ vraagt om creativiteit van zowel het vakmanschap van de klussers als creatief meebewegen van ons in de steeds weer nieuw ontstane situatie. Het is een voortdurend toestaan van wat zich hier en nu afspeelt en onuitgekomen verwachtingen bijstellen.

Kun je jezelf hierin ontwikkelen?

In onze presentaties spreken wij vaak over de  creativiteitsindex (NASA). Deze index is opgebouwd uit twee variabelen. Het ‘aantal vragen dat je stelt op een dag’ en het ‘aantal keren dat je lacht’ op een dag. Als je deze met elkaar vermenigvuldigd kom je op een index uit die iets zegt over het creatieve vermogen – hoe hoger, hoe creatiever je bent. Natuurlijk zijn dit niet de enige factoren, maar wel twee gemakkelijk te begrijpen variabelen: hoe meer vragen, hoe opener je houding voor nieuwe inzichten en hoe meer je lacht, hoe meer je je ontspant in onverwachte situaties. Dus ook hier weer: de nieuwsgierigheid naar hoe het anders of beter of slimmer kan, bepaalt hoe je nieuwe wegen kunt verkennen en creatiever kunt kijken naar situaties.

Laat je kostbare tijd dus vooral niet opvullen met geestdodende repeterende werkzaamheden, maar zorg dat je ruimte blijft maken voor iets nieuws. Julia Cameron heeft in The Artist’s Way een mooie methode voor ‘ruimte maken’, door elke dag ‘morning pages’ te schrijven. Een soort braindump, waardoor je in je hoofd veel ruimte maakt. Alles wat breincapaciteit kost zonder dat het je verder brengt, alles wat meer energie kost dan het oplevert, belemmert je om creatief te zijn. Dus als je een paar dagen achter elkaar hetzelfde opschrijft, kun je je afvragen: moet ik hier iets mee? Kan het anders? Of kan ik het misschien van m’n lijstje af?

We schreven al eerder: van ‘fouten’ kun je leren, maar van fouten word je dus ook nog eens heel creatief.  Eigenlijk is creatief zijn niet meer dan een mindset-verandering: het leren omgaan met een andere situatie dan je van tevoren had bedacht.

Hoe flexibel ben jij als het leven anders verloopt dan je had verwacht? Hou je dan vast aan je verwachting en de teleurstelling of laat je de realiteit toe?

Systeem eerst, dan pas de mens! (Taylor)

Dochter Sofía zit op een Daltonschool, in een klas waar groep 1 en 2 gecombineerd zijn. Het is een fijne klas met lieve juffen, en Sofía mag op een klein roze stoeltje zitten. Zij is helemaal blij. Haar vriendinnetje – laten we haar Laura noemen – is minder blij. Zij is een kop groter dan Sofiá en zit niet lekker op het kleine stoeltje.

Al in de 19eeeuw deed Taylor de beroemde uitspraak: “In het verleden was de mens eerst, in de toekomst is het systeem eerst.” Anno 2018 hoor je juist weer in veel organisaties dat “de mens centraal staat”, maar onze ervaring is dat het systeem nog altijd leidend is. Toen Laura vroeg of zij op een groter stoeltje mocht zitten, mocht dat niet. De grote stoeltjes, die met het gele knopje, zijn immers voor kinderen van groep 2. Groep 1 kinderen horen op het roze stoeltje. Het systeem staat centraal.

Zo merk je dat al vroeg in je leven een gevoel voor hiërarchie wordt bijgebracht. En deze hiërarchie wordt voortgezet: de baas heeft vrijwel altijd een mooiere, grotere en vooral hogere stoel dan de gewone werknemer. En het gaat niet alleen om de hiërarchie, maar ook om de bijbehorende privileges. Op grond van status heb je recht op een grote leren bureaustoel en dito kamer.

Op grond van schooljaar, dus niet lichaamsbouw, mag je op een geel stoeltje zitten.

Dat kinderen pas gelijke kansen krijgen bij ongelijk onderwijs, is niet alleen cognitief. Ook fysiek hebben verschillende kinderen verschillende behoeften. Dus ons advies is om dat grotere gele stoeltje gewoon roze dopjes te geven, zodat ook Laura comfortabel kan zitten. Systeem ontmoet mens: soms kun je met een kleine wijziging aan beiden tegemoet komen.

Denkend aan later….. mis je het nu

Misschien herkenbaar: dat je op een begrafenis bent van een oude kennis, die je al een paar jaar niet gezien hebt. Dat het je weer even wakker schudt en je jezelf door het verdriet en het gemis heen hoort denken: ‘ik zou vaker de mensen moeten opzoeken die me lief zijn! En dat je dat dan vervolgens niet doet.

Deze momenten geven je niet alleen dit inzicht, maar is ook een rechtstreekse uitnodiging om er vooral iets mee te doen. Om iets te brengen dat – voor je het weet – niet meer gebracht kan worden. Veel mensen leven ofwel in het verleden, of zijn geobsedeerd door morgen en overmorgen. Maar weinig mensen zijn bereid in het hier en nu te zijn. De mogelijkheden en kracht van het ‘nu’ worden behoorlijk onderschat, terwijl het toch echt de ‘enige echte’ mogelijkheid is.

De toekomst is aan voortdurende verandering onderhevig. Een vleugelslag van een vlinder kan verderop tot een orkaan leiden. Dus waarom het verleden en de de toekomst zo dominant verklaren? Leef het leven meer van dag tot dag, van stap 1 naar stap 1. Niet omdat het beter is, maar vooral omdat het ook niet anders kan.

Moet je dan nú helemaal niet denken aan ‘later’? Het is zeker niet verkeerd om aan later te denken of je verbeelding goed in te zetten. Maar je moet wel voorbereid zijn op een werkelijkheid die zich anders zal voordoen dan het ingebeelde, het verwachte of het geplande. Je kunt, zelfs als je denkt aan later of straks, maar een ding doen en dat is steeds anticiperen op de situatie die zich hier en nú voordoet. Voortschrijdend inzicht is niet iets dat af en toe voordoet. Het is een continu gegeven. Bij een scenario waarin je steeds met kortere tussenpozen een pitstop moet maken om te herijken moet je je afvragen wat de waarde is van dat scenario. En echte wendbaarheid zit ‘m juist in de kleine stapjes voortgang met voortdurende afstemming op wat er ‘DAAD-werkelijk’ gebeurt.

De toekomst is ook niet waar je bent. Er is geen ander vertrekpunt dan nu. “Ja maar, het had anders moeten zijn” levert je geen ander nu op, alleen maar vooral veel frustratie als je niet oppast. Wij zijn, ongeacht de situatie, blij in het hier en nu, zodat we nooit hoeven te verlangen naar een ander moment. Dat is wat ons betreft pensioenvrij leven. Vandaag doen waar je blij van wordt. Gisteren is immers geweest en morgen moet nog komen.

De ongezochte vondst

.. en het nut van toeval

Vaak worden wij uitgenodigd voor een sessie voor een afdeling of een team. Soms vragen ze ons welke afdeling ze nog meer moeten uitnodigingen en ons antwoord is altijd hetzelfde: vooral géén afdelingen, maar mensen. Mensen met energie, die zin hebben om al dan niet nieuwe dingen te horen en vooral: bereid zijn om nieuwe mensen te ontmoeten.

Nieuwe mensen leren kennen is de basis van serendipiteit: nuttige toevallige ontmoetingen. Deze ontmoetingen kunnen leiden tot verrassende, nieuwe en fantastische inzichten die jou als persoon, je werk of je omgeving weer een stapje verder kunnen brengen. En serendipiteit is te sturen: dat noemen we het ontwerpen van serendipiteit. Je kunt je omgeving zo inrichten dat er alle ruimte is voor ‘happy accidents’.

Het Nieuwe Werken – werkplekken en ontmoetingen in open ruimtes zonder vast plek voor afdelingen en teams – is daar een voorbeeld van. Maar het werken in open ruimtes staat onder druk: mensen zouden er ongelukkig van worden en zich onvoldoende kunnen concentreren. Dat is één van de redenen dat onderzoekers van de Universiteit van Wageningen weer terug gaan naar eigen plekken. Maar wij vragen ons sterk af of de winst van de teruggewonnen concentratieplek opweegt tegen de kansen die toevallige ontmoetingen brengen.

Want al die toevallige ontmoetingen, die zijn zo belangrijk volgens ons. Daarom doen wij wat we doen: elke dag weer ontmoeten wij nieuwe mensen die door nieuwe dialogen leiden tot nieuwe inzichten. Elke dag ervaren wij plezier en groei, met net een beetje verwondering over het nut van toeval. De ongezochte vondst. Als je deze frisheid, deze nieuwheid in elke ontmoeting weet te brengen, dan kan er iets moois ontstaan. En ach, misschien ook niet. Maar als je niet het nuttige toeval een beetje stuurt, dan gebeurt er in elk geval niets!

Quote:

How do we bring the right people to the right place at the right time to discover something new, when we don’t know who or where or when that is, let alone what it is we’re looking for? This is the paradox of innovation: If so many discoveries — from penicillin to plastics – are the product of serendipity, why do we insist breakthroughs can somehow be planned? Why not embrace serendipity instead?

Van website https://medium.com/aspen-ideas/engineering-serendipity-941e601a9b65

PS Aan te bevelen boek over dit onderwerp: Serendipiteit, de ongezochte vondst van Pek van Andel en Wim Brands. Ook de illustratie is van de omslag van dit boek.

 

‘Life as it is, the only teacher’

Laatst kwamen we op internet een prachtig verhaal tegen van een Chinese boer (door Alan Watts verteld). Het raakte ons omdat het op een heldere manier uitlegt dat na een willekeurige gebeurtenis nog niet zo makkelijk vast te stellen is of het nou een goede of een foute gebeurtenis betrof. ‘Maybe!’ Er is domweg een nieuwe situatie ontstaan met onverwachte nieuwe mogelijkheden en/of onmogelijkheden.

De wijze boer maakte in elk geval geen plan naar aanleiding van de dingen die hem overkwamen. Hij keurde ze niet af en niet goed. Je kunt van elke situatie iets vinden – goed of fout – maar elke situatie levert een nieuwe set parameters die je kunt inzetten voor de volgende stap. Na stap 1 komt stap 1.

Het geven van een oordeel – het benoemen van de situatie als goed of fout – is in feite hetzelfde als het diskwalificeren van de werkelijkheid zoals die zich voordoet. Mooi citaat in deze sfeer: ‘Managers hebben er een hekel aan als de werkelijkheid voor of achter loopt op hun planning’

Wat zich voordoet, doet zich simpelweg voor. Tegelijkertijd zien we veel mensen enorm worstelen om die werkelijkheid te proberen te beïnvloeden. Dat heeft volgens ons te maken met de neiging om een door hen gewenste werkelijkheid te willen creëren. En plannen daarvoor als gereedschap in te zetten.

Het moeilijk kunnen accepteren van de werkelijkheid heeft waarschijnlijk ook te maken met de angst dat de volgende stap tot een ongewenste of nog erger, onbekende, situatie zou kunnen leiden. Maar zoals het verhaal van de boer laat zien, kan ook een ‘ongewenste’ situatie de kiem zijn voor een nieuwe, mogelijk ‘wel gewenst’ gevolg. Werkelijkheid laat zich niet vangen in een plan.

‘Angst voor het onbekende’ kan ook verlammend werken in het zetten van een nieuwe stap, omdat mensen graag willen weten waar ze op uit gaan komen. Maar wie het hier en nu, de werkelijkheid zoals deze is, weet te aanvaarden, durft ook een stap te zetten zonder te weten waar hij uitkomt.

De toekomst blijft een raadsel en de kunst is het zo laten zijn. En vervolgens de illusie, van het met plannenmakerij oplossen van het raadsel, te leren doorzien.

(Of zouden nieuwe ontwikkelingen als ArtificiëIe Intelligentie en Predictive Analysis daarin verandering kunnen brengen?)

Van ‘technical controls’ naar ‘social controls’?

van technical naar social

Moderne auto’s zijn voorzien van veel technologische snufjes. Denk aan adaptive cruisecontrol, achteruitrijcamera, blinde hoekdetectie, satellietnavigatie, parkeerhulp tot aan zelfrijdende functies. Geweldig, al die technische ontwikkelingen!. Ze maken het ons een stuk makkelijker.

En tegelijkertijd intrigeert het ons ook dat het weliswaar veiliger lijkt, al die hulpmiddelen, maar dat we ons er tegelijkertijd heel afhankelijk van maken. Dat merken we aan onszelf als we eens in een leenauto rijden zonder al die techniek. Als je piepjes gewend bent bij achteruit inparkeren schrik je je wezenloos als je ineens die piepjes niet hoort en bijna tegen een muur staat. Hoe meer techniek, hoe kwetsbaarder we worden, omdat we gehecht raken aan die biepjes, camera’s en andere systemen.

De Nederlandse verkeersdeskundige Hans Monderman (1945-2008) was zelfs van mening dat hoe meer we de verantwoordelijkheid aan systemen toevertrouwen, hoe fragieler we worden. Hij heeft verschillende experimenten gedaan waarbij hij verkeerstekens, -lichten en -borden verwijderde en zo probeerde de verkeersdeelnemers te stimuleren meer op elkaar te letten (social controls). Deze experimenten waren zo succesvol dat hij er wereldfaam mee verwierf. Veel van zijn verkeerspleinen zijn veiliger dan de pleinen waar verkeerslichten (technical controls) de verkeersstroom regelen.

Wij zijn het met Hans Monderman eens. Technische systemen zorgen ervoor dat je steeds meer in een soort comfortzone terecht komt, en het je alertheid en oplettendheid verkleint. Het contact dat je zou moeten hebben met medeweggebruikers wordt nu overgenomen door sensoren en verkeerslichten, waardoor je de vaardigheid verliest om zelf te reageren.

Wij denken dat we in veel gevallen de ‘technical controls’ weer naar ‘social controls’ moeten terugbrengen: direct contact met je medeweggebruikers en samen bepalen wat de veiligste volgende stap in het verkeer is. Een voorbeeld daarvan is het Keizer Karelplein in Nijmegen, dat zo afwijkend is van andere rotondes, dat het daarmee uitnodigt om alerter te zijn. Maar ook in Drachten is veel van het werk van Hans Monderman terug te vinden.

Al die nieuwe technologie – waar ook wij met onze voorliefde voor technologie niet gemakkelijk nee tegen zeggen! – lijkt heel logisch en tegelijkertijd ontneemt het ons iets. Het maakt je fragiel en afhankelijk en je verleert en verliest er belangrijke vaardigheden door.

Wij zijn wel benieuwd hoe jij daar tegenaan kijkt? Moeten we de technologie meer regie geven over onze verkeersveiligheid? Of moeten we alerter zijn en weer contact maken met mensen in plaats van verkeerslichten?

Niet het gas erop, maar de rem eraf.

De Duitse psycholoog Kurt Lewin heeft veel geschreven over hoe mensen veranderen. Daarbij spelen twee factoren een rol: willen, en kunnen. Stel dat je iets heel graag wil: kun je dat dan bereiken als je wordt aangemoedigd? Als je wordt gestimuleerd in je eigen drijfveren? Volgens Kurt Lewin heeft het weinig zin. Wat werkt dan wel?

Kurt Lewin geeft aan dat het wegnemen van belemmeringen veel effectiever is. Wil je iets heel graag veranderen? De reden dat het nog niet de gewenste situatie is, heeft bijna altijd te maken met dat er nog iets ‘in de weg’ staat. Als je die remmende kracht weet weg te nemen, is verandering veel makkelijker. We hebben het hier al een keer over gehad toen we de cognitieve onderbenutting bespraken: een situatie waarin je iets zou willen doen, maar niet kan door interne of externe oorzaken (geen creativiteit, wachten op iemand, niet op de juiste plek). Kortom, door belemmeringen.

De oplossing hebben we toen ook genoemd en die geldt ook voor alle andere soorten veranderingen: spoor belemmerende factoren op en kijk hoe je deze kunt wegnemen.

Wij hebben vijf remmende indicatoren die we graag nog eens toelichten in de hoop dat jij daar ook iets mee kan:

Dus als je bijvoorbeeld sneller over iets wilt kunnen beslissen en jouw manager heeft die formele bevoegdheid en jij niet maar je weet wel wat de juiste beslissing is op basis van jouw vakmanschap, kennis en ervaring, verlos hem/haar van zijn last en beslis zelf. Nu gelijk. Haal de rem van die beslisafhankelijkheid. (reduceren van de time-to-act oftewel het vergroten van de besluitvaardigheid)

Zoek je een presentatie van een jaar geleden die een collega heeft gemaakt, zorg dan dat je zowel de presentaties op een gemakkelijk terug te vinden plek opslaat en naast de presentatie ook een begeleidend schrijven maakt waarin de context waarin de presentatie is gegeven staat zodat snel duidelijk is hoe deze presentatie is te gebruiken (zonder tijd van de oorspronkelijke maker te claimen). Haal de rem van die inzichtsafhankelijkheid. (reduceren van de time-to-insight oftewel het vergroten van het ontdekkend vermogen)

Wil je iets leren of kunnen en kost dat de nodige tijd, zorg dan dat je weet wat wat je collega’s of de mensen in je netwerk aan competenties in huis hebben. Ontwikkel een tool, schrijf het in een schrift, post het op intranet, whatever maar maak het ‘kenbaar’. Haal de rem van die competentieonzichtbaarheid. (reduceren van de time-to-competence oftewel het vergroten van de flexibiliteit en wendbaarheid)

Wil je innoveren of vernieuwen en weet je niet hoe, zorg dan dat je zoveel mogelijk ideeën verzamelt. Er zijn zo’n zestig ideeën nodig voor het vinden van die ene innovatie. Haal dus de rem van ideeënvertragende mechanismen zoals ideeenboxen of go, nogo jury’s.  (reduceren van de time-to-innovate oftewel het vergroten van het innoverend vermogen)

Wil je samenwerken met andere mensen, maar zijn er veel protocollen, processen en structuren die daartussen zitten en meer op wantrouwen zijn gestoeld dan vertrouwen, zorg dan dat je subiet vanuit onvoorwaardelijk vertrouwen gaat opereren, sloop die muren en haal de rem van wantrouwen en afscherming weg. (reduceren van de time-to-engage oftewel het vergroten van het vermogen tot geëngageerd samenwerken)

Kortom, wat kun je doen om iets te veranderen? Zoek de rem en haal ‘m eraf. Zal je zien hoe snel je gaat!

‘The only way out is the way in’

“Druk druk druk”. “Ik zoek meer balans tussen werk en privé.” “Ik kom echt niet meer toe aan de dingen die ik wil doen” Herkenbaar? Wij zien het overal om ons heen: we leven in een wereld vol met meldingen, afleidingen, constante informatiestromen en onophoudelijke bliepjes. Echt een wereld van ‘information overload’. Zo lijkt het.

Hadden we het daar niet al eens eerder over gehad? Dat het niet information overload is, maar filter failure? Dat het niet aan de voortdurende stroom informatie ligt die op je afkomt, maar aan je eigen onvermogen om die stroom in te perken of te kanaliseren?

Douglas Rushkoff, schrijver, mediatheoreticus en documentairemaker, geeft aan dat de enige beroepsgroep die een vergelijkbare druk ervaart door de constante stroom ‘bliepjes’ luchtverkeersleiders en 1-1-2 medewerkers zijn. Mensen dus die een intensieve training krijgen om met alle meldingen (bijvoorbeeld van binnenkomende en vertrekkende vliegtuigen om te gaan of incidentmeldingen), die verplicht elke paar uur een flinke pauze moeten nemen en vaker wel dan niet medicatie krijgen om de druk aan te kunnen.

De meeste mensen ervaren eenzelfde soort druk zónder opleiding en medicatie, en gunnen zichzelf de noodzakelijke rust al helemaal niet. Hoe moeten ze dat dan doen?

Als je je druk voelt, moet je je eigen rust zien te hervinden. Het ligt niet aan de manager, het ligt niet aan het dagelijkse takenpakket en het ligt niet ook niet aan je gezin of de omstandigheden. De oplossing ligt niet buiten je, maar in je. En daar is dus radicaal zelfonderzoek voor nodig. Maar… mensen zijn vaak gemakzuchtig en zelfonderzoek is moeilijk, zwaar en confronterend.

Moeilijk omdat het vaak niet is aangeleerd, zwaar omdat het een voortdurende zelfdiscipline vraagt en confronterend omdat je in radicaal zelfonderzoek voorbij moet kunnen gaan aan ‘ik’, ‘zelf’ of ‘ego’.

Als je traint voor een hardloopwedstrijd ontmoet je regelmatig je ‘zelf’. De gedachte ‘ik kan niet meer’ dient zich regelmatig aan. Maar iets zet zich daar soms toch overheen. Of als je rustig in gesprek bent met iemand en naast je schakelt het licht van je telefoon aan en schiet de gedachte binnen ‘wie is dat of wat is dat?’.  Soms geef je daaraan toe en een andere keer draai je je telefoon om uit respect voor je gesprekspartner of rust en aandacht voor het gesprek. Het is precies die innerlijke dialoog en de gevolghandelingen die rust kunnen brengen of onrust blijven opbouwen. De keuze is altijd aan ‘jou’.

Het kan helpen om sociale media te mijden, de e-mail maar een keer per dag te bekijken en te beantwoorden, of andere disciplines opbrengen om verstoringen te verminderen. Maar uiteindelijk gaat het om de keuze die je in elk moment opnieuw maakt.

Kies je voor de verstoring. Of kies je voor rust.

En kies je niet, dan kies je toch.

Overheerst bij jou ook ‘de waan van de dag’

Wie kent nog de Duitse uitzonderingsrijtjes uit z’n hoofd? Mit, nach, bei, seit…. En hoe kan het dat je die nu nog kunt opdreunen? Wij hebben het antwoord van Hermann Ebbinghaus, die als eerste wetenschappelijk de ‘vergeetcurve’ wist vast te leggen. Hij stelt dat na 20 minuten je de helft van het geleerde alweer vergeten bent, en dat je je na één dag nog maar zo’n 30% herinnert. Waarom weet je dan die Duitse rijtjes nog? Simpel: herhaling!

Wij hebben het zelf ook ondervonden bij onze sessies. Vaak kregen we na een sessie van de organisatie terug dat iedereen echt super geïnspireerd was na afloop, maar eenmaal weer op de werkplek vol door de waan van de dag in beslag werd genomen.

We hebben ons verdiept in Ebbinghaus’ vergeetcurve en zijn oplossingen om dit te voorkomen. Zo geeft hij aan dat de onthoudbereidheid groter is als er emotie bij komt kijken. Ook audiovisuele manieren van informatie overbrengen helpt bij het onthouden. Maar zijn belangrijkste oplossing was toch wel de herhaling.

Wie na tien minuten herhaalt, zit weer op 100%. Wie na een dag weer herhaalt, zit opnieuw op 100% én is minder vergeten. Na een week en een maand herhalen, zit de informatie practisch net zo stevig verankert als de Duitse rijtjes.

We hebben daarom gezocht naar manieren om onze informatie zo goed mogelijk over te brengen. Dat doen we met emotie (vooral humor ?), met audiovisuele ondersteuning en met regelmatige herhalingen binnen de sessie. Ook hebben we geëxperimenteerd met herhalingen over de sessie heen, door bijvoorbeeld terugkomsessies.

Ebbinghaus geeft echter strikte intervalperiodes aan waarbinnen de herhaling moet vallen. Een wetmatigheid zeg maar. En vaak komt dat in de praktijk niet precies uit qua tijd of planning, en moet een terugkomsessie (een herhaling) verzet worden. De organisatorische natuur intervenieert met die menselijke wetmatigheid van het vergeten, en dan merken we dat het effect soms minder lang draagt dan we zouden wensen.

Het is dus voor ons blijvend zoeken naar een goede manier om te zorgen dat iedereen over 20 jaar niet alleen “mit, nach, bei, seit…” maar zich ook “na stap 1 komt stap 1” kan herinneren en kan genieten van de betekenis ervan.

In wat voor wereld leef jij het liefst: geordend of ongeordend?

Je linker- en je rechterhersenhelft hebben nogal verschillende voorkeuren. Links wil graag ordening, ratio en logica. Rechts is meer van de verbeelding, het experiment en zelfs een beetje chaos. Dat is niets nieuws voor de meeste mensen. Dus als wij aan een zaal vragen: “Wie is er fan van een geordende wereld?” steekt ongeveer de helft z’n hand op. De andere helft voelt zich beter bij een ongeordende wereld.

Wat veel mensen niét weten, is dat binnen de geordende en ongeordende werelden ook nog weer verschillende domeinen bestaan. (Vrij naar het Cynefin-framework en komt oorspronkelijk van Dave Snowden). Snowden geeft aan dat de geordende wereld twee domeinen kent: een ‘simpel‘ domein , waar oorzaak en gevolg logisch en verklaarbaar zijn. Voorbeeld: Je draait de kraan open en er komt water uit; je draait ‘m dicht en het water stopt. Het tweede domein in de geordende wereld is het gecompliceerde domein, waar oorzaak en gevolg ook logisch zijn, maar waar enige analyse nodig is om dat te ontdekken. Voorbeeld: tijdens het rijden gaat er een lampje op je dashboard branden. Je rijdt naar de garage en die onderzoeken de auto en lossen het op. De geordende wereld is overzichtelijk en logisch; de wereld ook van de standaardisatie. Het is een wereld ook waarin de meer behoudende en conservatieve mensen zich thuisvoelen.

Daarnaast is de ongeordende wereld en ook die kent twee domeinen. Het domein van de chaos: oorzaak en gevolg hebben hierin geen enkele relatie. Het tweede domein is het complexe domein, waar oorzaak – gevolg alleen achteraf logisch vast te stellen is, maar nooit vooraf te voorspellen is. Het is het domein van bijvoorbeeld weersvoorspellingen en waar meer dan drie mensen met elkaar samenwerken. Het grote aantal variabelen hierin maakt voorspelbaarheid praktisch onmogelijk.

In deze complexe ongeordende wereld kunnen wel patronen ontstaan op het moment dat een achteraf vastgestelde ‘oorzaak – gevolg-relatie’ vaker voorkomt. Deze patronen kun je dan overbrengen naar de geordende wereld om te kijken of je ze kunt optimaliseren: goedkoper, sneller, efficiënter.

De geordende en ongeordende wereld hebben een sterke wisselwerking. In de maatschappij geniet de geordende wereld veel aandacht en gaat veel van onze tijd en energie naar businesscases, best practices en plannen. Maar wij willen ook graag een lans breken voor de ongeordende wereld en het meer erkenning geven, al is het alleen maar om dat we – zeker ná middernacht – meer moeten improviseren en experimenteren.

De oproep in deze blog is om diegene die van een geordende wereld houden daar vooral in te laten excelleren, maar ook een tweede liefde aan te bieden namelijk die van de ongeordende complexe wereld. Net zoals de fans van een ongeordende wereld zich thuis moeten blijven voelen in weinig tot geen structuur en de geordende wereld omarmen als nuttige en noodzakelijke aanvulling op hun wereldbeeld.

De meeste hersenen bestaan uit twee delen die goed samenwerken. En ben je meer van de ene hersenhelft dan van de andere, geniet ervan, zet het in en zoek iemand op die precies het tegenovergestelde heeft. We hebben elkaar immers hard nodig om in balans te blijven.

We hebben er wel eens een videotje van gemaakt jaren geleden.

‘Wat heb je geleerd vandaag?’ ‘Ik weet het niet meer’ ‘Niks!’.

Sofía van vier gaat sinds kort naar school. Ze krijgt hier tweetalig onderwijs. Op mijn vraag wat ze vandaag geleerd heeft zijn haar twee standaard antwoorden: “Ik weet het niet meer” of “Helemaal niks”. Maar soms merk ik dat er toch iets bijzonders gebeurt, zoals ze afgelopen weekend bijvoorbeeld spontaan alle dagen van de week in het Engels begint te zingen. Wij wisten niet wat wij hoorden. Het gaat zo natuurlijk en zo vloeiend, dat ik weer besef dat de ‘learning curve’ het hoogste is als je jong bent. En dan is het best wonderlijk dat je in Nederland in veel gevallen  pas les krijgt in bijvoorbeeld andere talen, als die natuurlijke vaardigheid van leren gehalveerd is.

Taal en klankschema’s zou je zo jong mogelijk aan moeten leren, omdat je die op latere leeftijd nauwelijks of zelfs niet meer kunt ontwikkelen. Hetzelfde geldt voor specifieke vermogens, zoals ontdekken, leren, samenwerken, innoveren en leiden. Op jonge leeftijd is het brein het flexibelst en het beste ingericht op leren, dus waarom leggen we in het onderwijs niet meer nadruk op de stijlste leercurve? Daarbij hebben we het niet over het stampen van kennis, hoewel de ‘tafels van vermenigvuldiging’ bijzonder handig zijn als parate kennis. Maar we denken dat het vooral gaat om al op jonge leeftijd bepaalde vaardigheden aan te leren, zoals het ontdekkend vermogen, het lerend vermogen, het samenwerkend vermogen, het leidend vermogen en het innoverend vermogen.

Basiskennis is zeker nodig en nuttig, maar wie bovenstaande vermogens als kind goed heeft ontwikkeld, leert die feitelijke kennis ook op latere leeftijd sneller. Kennis vanuit overzicht en samenhang is ook veel beter te plaatsen. Iets dat pas later ontwikkelt. Het gaat steeds om de balans. Nu ligt de nadruk vaak op ‘content’, terwijl wij vinden dat er ook aandacht voor de ‘context’ moet zijn. Vermogens dus, meer richten op het stellen van de juiste vragen die voortkomen uit passie en nieuwsgierigheid dan het routinematig leren beantwoorden van standaard vragen gericht op een standaard curriculum en navenant dus standaard diploma.

Met ‘standaard kennis’ laat je zien dat je iets weet op het moment dat je een diploma wilt halen, maar met een vermogen kun je iets in elk moment, je hele leven lang.

Ik herinner mij van vroeger dat als mijn moeder mij vroeg naar of ik het leuk heb gehad ook niet verder kwam dan ‘Ja’ of ‘nee’ zonder verdere verklaring. Als kind had ik geen zin om dat wat in vorige momenten aan plezier zat nog eens uit de herinnering te herhalen. Het is een soort tweedehands theoretisch plezier overbrengen. Moet je eens proberen ;-).

Ideeën: dood door schuld!

Je hebt vast wel eens op je werk dat je denkt: ‘goh, dit zou veel sneller / beter / goedkoper kunnen’. Soms ga je met een voorstel naar je manager, vaker nog blijft het bij een gedachte. Maar af en toe vraagt het management je juist om mee te denken, en dan kun je eindelijk je idee kwijt!

Als je namelijk aan mensen vraagt of ze ideeën hebben om iets sneller, beter of goedkoper te doen, of om juist radicaal anders te gaan werken, dan heeft iedereen wel een idee. En dat merk je dan. En als er 100 collega’s zijn met 100 ideeën, dan is het eerste dat men denkt: die kunnen we nooit allemaal tegelijkertijd uitvoeren. Dat lukt nooit. Het is te duur. Kost te veel energie. We hebben te weinig tijd.

Daarom biedt het management de helpende hand. In klein comité, de jury, bespreken ze alle ideeën en pikken er een paar uit die verder ontwikkeld mogen worden. Dat levert een overzichtelijk plan op met haalbare ideeën, waar budget voor is, en mankracht, en die bovendien mooi bij de strategie passen. ‘Death by management selection’ noemen we dat en we hebben er al eerder over geschreven.

Toch denken we dat het management hier de mist ingaat. Wij vinden dat als je 100 ideeën hebt, je ze wel én direct alle 100 uit moet voeren. De ideeën waar energie op zit, die breed gedragen worden, die selecteren zich uit. En dat zijn ze nooit alle 100. Misschien 10. Of 5. Alleen degene die écht willen, gaan ermee aan de slag. Misschien wordt daarmee niet het beste idee uitgevoerd, maar het wordt wel uitgevoerd en het wordt zelfs een succes, omdát het uitgevoerd wordt. Er is immers vaak geen gebrek aan geld, of ideeën, of visie, maar vooral een gebrek aan ‘uitvoeringskracht en volharding’.

En tussen die 100 ideeën zitten zeker ook ideeën die anderen uit moeten voeren. Die een ‘project’ worden, waar een ‘plan’ voor nodig is. En een ‘team’. Erger nog een ‘business case’.  Voorwaardelijke ideeën dus.

Die ideeën, die niet gelijk met eigen enthousiasme uitgevoerd kunnen worden, die sterven een natuurlijke dood. Oftewel ‘death by natural selection.’ Veel verstandiger in onze ogen dan ‘death by management selection’.

Wat maakt vóór middernacht anders dan ná middernacht?

Onlangs gaven wij een sessie bij een bedrijf waarbij de directeur vóór ons het woord nam. Het was een goedbedoelde inleiding met een stip op de horizon, een stappenplan om 10% beter te worden en een uitnodiging om mee te denken om uitdagingen het hoofd te bieden. Dit soort inleidingen hebben wij veel gezien en gehoord, en hoe inspirerend ook, allemaal gaan ze uit van de situatie ‘vóór middernacht’.

Middernacht? Jazeker, middernacht. Deze term komt van Professor Eddie Obeng, die een grafiek maakte van twee lijntjes  (1) het verandervermogen van mensen (witte lijn) en (2) de verandering zelf (blauwe lijn), uitgezet in de tijd.

Goed te zien is dat de blauwe lijn – de veranderingen – de afgelopen jaren een enorme stijle curve hebben doorgemaakt terwijl ons verandervermogen redelijk hetzelfde gebleven is. Het punt waar ons verandervermogen en de veranderingen elkaar kruisen – zo’n 15 jaar geleden – noemt Obeng ‘middernacht’, omdat we allemaal lagen te slapen toen wij dat punt gepasseerd zijn. We hebben simpelweg niet gemerkt dat dit gebeurde en veel mensen en organisaties hebben nog steeds niet door dat we nu ‘na middernacht’ leven.

Vóór middernacht was ons verandervermogen prima in staat de verandering vóór te blijven en passen instrumenten zoals lange termijn businessplannen, lange termijn leerplannen, business cases en ‘best-practices’ prima. Maar nu gaan de veranderingen zo snel, dat we resultaten eenvoudigweg niet meer kunnen voorspellen.

Een ‘stip op de horizon’ is met de snelheid van veranderingen niet meer toereikend; we kunnen simpelweg niet meer voorspellen wat we moeten doen om daar te komen.

En het helpt ook niet om de stippen vervangen door ‘balken aan de horizon’.

Zo’n ‘balk’ geeft weliswaar meer ruimte om in de toekomst te kunnen variëren, maar vaak wordt de weg ernaar toe dan ook weer in vooruitgedachte scenario’s vastgelegd. Iets dat na middernacht volstrekt onzinnig is omdat elk bedacht scenario niet de werkelijkheid zal zijn.

Na middernacht kunnen we alleen nog maar uitgaan van de bedoeling en een stap 1 in de richting van die bedoeling om daar te komen.

En de strategie ná middernacht is te weten dat na stap 1 weer opnieuw stap 1 komt in de richting van de bedoeling. Dat is heel wat anders dan stapje voor stapje in de richting van een doel. Het is een besef dat zicht op een nieuwe stap zich pas openbaart als de stap 1 voor die nieuwe stap 1 ook werkelijk is gezet. De ervaring opgedaan met het zetten van een stap 1 is dus het belangrijkste ingrediënt voor een nieuwe stap 1. Je kunt het dus niet vooraf bedenken, je moet eerst gewoon doen. Meters maken dus in plaats van plannen maken!

Ook is het van belang dat ‘de bedoeling’ zowel helder genoeg is om je aan te kunnen verbinden als ambitieus genoeg is om mee te kunnen bewegen met de snelheid van verandering. Dat betekent vaak dat je zult moeten loslaten wat je tot nog toe hebt gedaan en na moet denken over hoe je iets 10x beter kunt doen vanaf nu in plaats van 10% beter doen dan vanuit een bekend verleden.

Het betekent dat we veel meer zullen moeten experimenteren. Dingen uitproberen waarvan je de uitkomst niet kunt voorspellen. Ook meer zult moeten improviseren als eerste keus.

Dus niet; plan is mislukt, we moeten gaan improviseren, maar improvisatie als competentie gaan inzetten en niet als tweede keuze uitvlucht. Veel meer vanuit het ‘hier en nu’ redeneren (emergent practice) dan vanuit een ervaring uit het verleden dat opnieuw wordt ingezet (best practice). Nu doen wat nodig is in plaats van denken over wat later nodig zou kunnen zijn.

Doen is immers de beste manier van denken.

Leidt vrijheid tot individualisering?

Tijdens een coachingsgesprek onlangs vroeg mijn coachee: “Arthur, luister; hoe zit dat nou met jullie uitgangspunten van dogmavrij opvoeden en diplomavrij leren en functievrij werken… Al die nadruk op vrijheid, hoe staat dat in verhouding tot de enorme groei aan individualisering? Is dat nou wel iets dat je wenst?” Eerlijk gezegd moest ik daar even goed over nadenken. Zijn vraag triggerde me en mijn spontane gevoel bij deze vraag is: vrijheid is goed, individualisering niet. Maar klopt het wel dat toenemende vrijheid leidt tot toenemende individualisering? Of zijn het twee verschillende dingen? Na een dag overdenking en bespiegling met andere mensen zijn wij gekomen tot het volgende inzicht.

De mens is een sociaal dier. We hebben vanuit groepsvorming een sociaal systeem opgetuigd, met allemaal (soms ongeschreven) regeltjes, variërend van afspraken tot wetten en zelfs dogma’s. Veel van die regels zijn nodig om met elkaar dingen voor elkaar te krijgen. Als je dan blind zou streven naar onafhankelijkheid van die regels, stel je jezelf dus buiten het sociale systeem. Maar dat is niet het soort vrijheid dat wij als Vrije Denkers nastreven. Wij willen vrijheid van het gevangenschap van onwerkelijke en onbewust dwingende systemen. Van systemen die iedereen door eenzelfde mal perst en probeert om een samenleving van uniforme wezens te creëren en een eigen mening en idee te ontnemen. Juist als mensen niet leren om zelf na te denken, raken ze steeds individueler en soms zelfs asocialer. In die zin leidt juist onvrijheid tot individualisering.

Juist door onze natuurlijke sociale behoeften staat de sociale connectie centraal. Maar daarvoor moet je wel sociaal bewust zijn en dat is wat wij nastreven met onze uitgangspunten van dogmavrij opvoeden, diplomavrij leren, functievrij werken en pensioenvrij leven. Wij willen vooral kinderen – maar ook volwassenen – de vrijheid leren hervinden om eigen keuzes te maken binnen sociale systemen. Gebaseerd op hun eigen, individuele talenten en behoeften, maar uiteraard altijd binnen een sociaal systeem. En die keuzes zullen bewust zijn, omdat ze hebben leren nadenken. Juist door inzicht in hun unieke talenten, kunnen ze optimaal bijdragen aan versterking van het sociale systeem als geheel.

Leidt vrijheid dus tot individualisering? Wij denken van niet. Het is eerder dat Onvrijheid leidt tot individualisering. Onze samenleving komt alleen een stapje verder als bewuste individuele keuzes in vrijheid, maar altijd binnen een sociale samenhang en context, genomen kunnen worden.

‘Wanneer mag ik nou gaan spelen?’

Het is zover. De dag is aangebroken. Sofía mocht vandaag eindelijk naar school. Ze was er al een tijdje druk mee in haar hoofd nadat ze bij een eerste kennismaking, twee dagen daarvoor, had gezien dat er zowaar een heuse zandbak in de klas stond en ze de kleurpotloden, verfspullen en klei al in haar ooghoeken had zien staan. Ze kon er toen niet mee aan de slag vanwege de korte tijd die we hadden, maar op de ochtend van haar eerste wendag op school had ze het tijdens het ontbijt al helemaal bedacht:

‘Als ik straks op school ben ga ik eerst met de zandbak spelen en daarna kleuren en verven.’

Sofía zit op een Daltonschool waarin keuzevrijheid van activiteiten sterk wordt gestimuleerd en bovendien tweetalig wordt onderwezen. En na een allervriendelijkst ‘Goodmorning’ van de beide juffen mocht ze een stoel uitkiezen met roze stippen. Ook wij waren redelijk opgewonden over de gehele situatie en benieuwd hoe ons kleine meisje met deze nieuwe omgeving zou omgaan.

Teleurgesteld dat ze haar schoenen niet mocht uitdoen omdat de vloer nog koud en zanderig was en het bovendien niet gebruikelijk leek vroeg ze, na nog geen minuut op het houten stoeltje te hebben gezeten:

‘Wanneer mag ik nou gaan spelen?’

Sofía zal een hoop nieuwe dingen en gewoontes leren. Ook dat ze niet meer alles zomaar kan doen als zij dat wil, maar dat zal moeten gaan afstemmen met het sociale systeem dat klas en school heet. En dat er overal op een bepaald moment tijd voor is en zal zijn en dat ze soms of vaker dus geduld zal moeten opbrengen.

Wij gaven Sofía een kus en een knuffel en met een voor omstanders nauwelijks waar te nemen pijn in het hart liepen we de deur uit omdat de juf in het engels begon af te tellen ‘five, four, three, two, one’ en graag wilde dat iedereen ging zitten.

Eenmaal op het schoolplein beneden hielden wij het niet meer. Wij hebben werkelijk gejankt als twee kleine kinderen en terwijl ik dit schrijf hou ik het ook niet droog. Ik brak nadat ik mij realiseerde dat wij ons kleine meisje van een vrije leerdeugd waarin de little pony speelt met de badeend en waar de zelfgebouwde tent op de bank het huis is van de dinosaurus, de ontklede pop stuiterballen te eten krijgt en we stil moeten zijn omdat de Gruffalo en de gevaarlijke muis voorbij komen, definitief was ingeruild voor een nieuw, voor haar onbekend systeem en dito leerplicht.

Hoe we onze keuze voor deze fijne school en fijne juffen en leermethode ook hebben mogen maken, het is en blijft een omschakeling van een vanzelfsprekende intrinsieke leerdeugd naar merkwaardige extrinsiek geregiseerde leerplicht.

Op de vraag ‘wanneer mag ik nou gaan spelen?’ konden wij Sofía geen goed antwoord geven en ze zal dus nog wel een paar keer met haar vingertje omhoog zitten totdat ze zich realiseert dat ze daarin niet zoveel vrijheid meer heeft als dat ze thuis had. Natuurlijk komen er ongetwijfeld weer vele andere mooie leermomenten voor terug, maar ik vraag me wel eens af of men zich realiseert wat er wordt ingeleverd als de eigen vrije speelse flow er onverwacht een onbekende externe regisseur bij krijgt.

Sofía heeft die ochtend niet in de zandbak gespeeld en verven stond ook niet op het programma.

600 mensen in een zaal. Beamer op zwart. Wat doe je dan?

Onlangs gaven we een Nieuwjaarssessie bij een grote scholengemeenschap in Leeuwarden. Vlak voor ons was de directeur aan het woord en tijdens zijn praatje viel de beamer een keer uit. Hij zei nog tegen ons: “Ik hoop dat het bij jullie beter gaat”, maar dat pakte anders uit.  De beamer (“de beste die er is!”) verkleurde alles wat wit was tot een steeds grauwiger geel en viel eerst een paar keer kort uit en daarna langer en grondiger. En met bijna 600 mensen in de zaal en geen technische assistentie in de buurt is dit geen pretje.

Aangezien wij de aanwezigen bij de introductie van onze sessie als nieuwjaarsgroet hadden meegegeven “… dat jullie veel onverwachte momenten, oncomfortabele situaties en ongemakkelijke ogenblikken mogen meemaken …”, realiseerden wij ons dat dit natuurlijk ook op ons van toepassing was. Alles wat je een ander toewenst komt immers drievoudig naar je terug. Dit besef maakte dat we niet in de kramp schoten door deze situatie of de neiging ontwikkelden om de technische mensen publiekelijk een zwarte kaart toe te spelen om het eigen ongemak af te kopen, maar gewoon zijn doorgegaan. Dat betekent natuurlijk niet dat we niet geprobeerd hebben het probleem op te lossen – we zagen het gewoon niet als een ‘probleem’ maar als een nieuwe situatie. Ook de mensen in de zaal aanvaardden de nieuwe situatie en kregen meer waarde door zowel de inhoud van onze presentatie als ons, in praktijk getoonde, improvisatievermogen.

We zijn in deze tijd allemaal erg afhankelijk van technologie. Op zich is dat niet erg – het is een gegeven – maar pas als we ons erdoor laten leiden en niet meer zonder kunnen wordt het problematisch. Nu de techniek het af liet weten, werden wij onverwacht uitgenodigd te gaan improviseren. Dat is niet voor niets één van onze belangrijkste leefregels: improviseren als 1e keuze.

Zelfs als het beeld helemaal weggevallen was, hadden we nog mogelijkheden gehad. We kunnen altijd met oefeningen aan de gang: van luisteren naar bewegen. Of een beroep doen op de verbeeldingskracht van mensen om zich de dia’s aan de hand van beschrijvingen voor te stellen. Van beeld naar verbeeldingskracht, want die is altijd beschikbaar.

Deze ervaring heeft ons weer wat anti-fragieler gemaakt dan de dag ervoor. Daarom wensen wij oprecht iedereen een fijn 2018, met veel onverwachte momenten, oncomfortabele situaties en ongemakkelijke ogenblikken!